De Solosche Kraton (1930)

Een sfeer van eeuwenoude traditie.


De wijde aloon-aloon, vóór de eerbiedwaardige kraton, ligt nog in het jonge morgenlicht. De waringin werpt een lange schaduw naar het Westen, maar reeds is alles vol leven en bewegen. De congressisten en de gasten van het Java-instituut rijden aan, om een bezoek te brengen aan den aiouden vorstenhof, waartoe zij zich verzamelen voor de sitinggil, aan de Noordzijde.

Deze kraton is, aldus de Oosthoek redacteur van de Indische Crt., reeds oud. Hij werd gesticht in 1745 door den Soenan Pakoeboewono II. Vele geslachten hebben hem reeds bewoond, acht achtereenvolgende vorsten.

Natuurlijk is hij veel veranderd, wat de aankleeding betreft, maar niet onwaarschijnlijk heeft hij den uitwendigen vorm behouden. Immers is die gebonden aan adat en religieuze inzichten. Het gebouw iigt zuiver naar de windstreken. Rechts is Oost en links is West.

De bezoekers verzamelden zich dan op de pagelaren, de Sana soemewa. Het waren er zeer velen, hun getal groeide aan tot honderden. En onder hen waren wel vierhonderd vrouwen en meisjes, allen in feestkleedij.

Het spreekt vanzelf dat hier, waar de étiquette haar eeuwenouden scepter zwaait, de kleeding van te voren' aangegeven. Men mocht dragen, naar verkiezing, Europeesche lichte kleeding of Javaansche kleeding (de witte atilah met kris en dames en hoeren zonder schoeisel.) Aanvankelijk meenden de jongeren, dat vele regenten en Inheemsche bezoekers dan wel in Europeesche kleeding zouden verschijnen, maar zulks bleek toch niet het geval te zijn.

Zeker vierhonderd jonge vrouwen in zijden baadjes en keurige sarongs trippelden in een lange colonne op haar bloote voeten door de, in haar oogen schier heilige zalen en gewijde plaatsen. Zoo ook deden de mannen. De stoet dezer bezoekers werd geopend door den gouverneur van Solo, terwijl wij aan het hoofd ook opmerkten onder andere dr. Tamm, den directeur van de C.B.Z., met zijn echtgenoote; den heer Kiewit de Jonge, regeeringsgemachtigde voor algemeene zaken, en andere Europeesche belangstellenden.

Daar eigenlijk de aloon-aloon tot den kraton behoort, vroeger aan de Noordzijde door drie poorten afgesloten, stonden we nu aan een tweeden ingang.

Stil en eerbeidig zetten zich de stoeten in beweging, door hofdignitarissen geleid. Al dadelijk werd de Bangsal Pangrawit gepasseerd, waar bij bizondere gelegenheden de troon van den Soenen staat, wijl men vandaar de aloon-aloon kan overzien.

Nu trad men voorbij de Paseban Mertaloeloet en de Paseban Singanegara, de plaatsen, waar vroeger de scherprechters hun luguber werk verrichtten toen de kraton-rechtspraak nog in vollen omvang bestond.

In de Bangsal Witana, de eigenlijke pendoppo (djogio tradjoe mas) van de Sitinggii, staat een klein gebouwtje met matglazen ramen. Daar ligt het heilige kanon, de Njahi Setomi. Haar bronzen echtgenoot slaapt voor de oude stadspoort van Batavia, waar de vrouwkens komen offeren in de hoop op kinderzegen. Dit kanon is voor iederen te zien. Maar Njahi Setomi wordt streng afgesloten gehouden van de wereld. Niemand mag haar aanschouwen. Wanneer de ruiten beslagen zijn en de druppels langs het glas traag naar beneden zakken, dan weent de Soenan. En men "verzamelt stil de genezing brengende dauw ...."

De beide kononnen zijn het middelpunt vau velerlei overleveringen! Wellicht zullen zij elkander nog eenmaal ontmoeten.

Zoo schrijden wij allen zwijgend voort door gangen en over pleinen, onder de schaduw van boomen en in koelte brengende pendoppo's. Het is een sprookje. Hier en daar hurken, de bovenlijven naakt, de hoofden onder hooge goeloks, hofbeambten, overgoten door een Rembrandtiek licht. Waar wat zonneschijn scherper contouren teekent, wachten vrouwen de schouders bloot op de bevelen harer gebieders. Het is volkomen stil geen geluid wordt gehoord.

In de Bangsal Angoensangoen staan de drie gamelans. Zij dragen namen als beminde kinderen.

Zoo bereiken wij de Kori Kemandoengan, vanwaar men in den eigenlijken afgesloten kraton komt. Hier staat de lijfwacht. Boven de sarong een blauwe huzaren-tuniek. De lange cavaleriesabels worden op commando van een jong lijfwachtofficier voor den gouverneur gepresenteerd. Wij houden ons echter niet op. Langs de paseban's van hoogere ambtenaren voert de weg door een poort naar het groote binnenhof. Wij komen op de Paningrat Badajan, geheel met marmer bevloerd.

Hier rijst de toren, welke den kraton domineert, de Sanggaboewana, welke een prachtig uitzicht verleent over de stad Soerakarta en het wijde land, waarin zij ligt.

Dan komt een groote verrassing. Op de plantaran heeft zich een colonne pradjoerits panjoetra opgesteld. Een groep kratonkrijgslieden, boogschutters in hun oud wonderlijk costuum, groen en geel, rood en blauw, den boog in de rechterhand, de pijlen in een koker op den rug, waarvan da veeren schachten hoog uitreiken boven den schouder. Zij zijn niet meer van dezen tijd, maar een levend geworden fantasie ut het verleden. Op de bevelen van hun overste marcheeren zij; hun colonne vervormt zich, waaiert uit, beslaat de breedte van het plein.

Hun tred verandert plotsseling, neemt een tandakkenden vorm aan, maar langzaam en plechtig. Het been met gebogen knie wordt hooggeheven en daarna dwars voor den anderen voet neder gezet, waardoor het lichaam een zwevende, heen en weer wiegelde beweging krijgt. En tegelijkertijd wordt telkens de linkerarm zijwaarts gestrekt. Maar niet één strijder doet dit, zij allen glijden, als door denzelfden wil bewogen, voort. Er ligt in deze nadering iets dreigends, iets van het tot den strijd gewijde, dat roert en aangrijpt. En met dit plastisch spel vereenigt zich het feest der uitbundige kleuren. Dit was wel zeer schoon, om het ongeschondene van het Oostersche karakter.

Bij het staldepartement stond de gouden statiekoets van den Soenan. Acht zwarte paarden trampelden in het zwaar met verguld koper beslagen tuig. Op den bok: de Europeesche koetsier, zijn witte broek in zwarte rijlaarzen, het hoofd gedekt door een driekanten steek met veerenbont omzoomd. Zijn roode tuniek, met gouden brandenbourgs, nestels en borduursels, gaven hem iets operetteachtigs.

Naast de paarden stonden lakeien, op den voorsten draver van het vierspan pronkte een voorrijder.

Het scheen, of de kratonmuren het jagende drijven vau de wereld ganschelijk hadden uitgesloten en levend bewaarden wat lang geleden was.

Nog viel de blik op de oude draagkoetsen, de Kjahi Djenggo, Djempana, Brengos en verscheidene anderen. Zij komen slechts zelden buiten. Maar dan herleeft ook weer een sprookje. Want nu draagt men een prinses van den bloede ten huwelijk.

Een eenigszins volledige beschrijving van den kraton zou een boekdeel vullen.

Wij volstaan dus met de vermelding, dat een kleine tentoonstelling voor de bezoekers was ingericht, waar een schat van oude dingen bijeengebracht werd.

Veel tijd om de indrukken te verwerken, werd ons niet gelaten, want te 10 uur zat men weder ten congresse. Het verloop daarvan hebben wij reeds kortelijks vermeld.

Te 9 uur der avonds verzamelden de gasten zich in de Astana Mangkoenegaran ter bijwoning van een wajang wong-uitvoering.



uit: De Sumatra Post, vrijdag 10 Januari 1930, tweede blad.
trefwoord: @Java


naar boven (top)