Aardbevingen op Borneo, Bangka en Billiton (1873)

door Dr. P.A. Bergsma


Bij het bewerken van de overzichten der aardbevingen, in de laatste jaren in den O.I. Archipel waargenomen, trok het mijne aandacht, dat slechts zelden berichten van aardbevingen van Borneo, Bangka en Billiton ontvangen werden. Daar het niet onbelangrijk was te weten of werkelijk op deze drie eilanden, welke in het midden van den Archipel liggen en slecht door ondiepe zeeën van de andere eilanden gescheiden zijn, slechts zelden aardbevingen voorkomen, terwijl de hen omringende eilanden er zoo herhaaldelijk door geteisterd worden, gaf ik eenige tijd geleden het Bestuur der K. Natuurkundige Vereeniging in overweging, tot de Regeering het verzoek te richten, de Hoofden van Gewestelijk Bestuur op die eilanden uit te noodigen, bij de inwoners een onderzoek naar het voorkomen van aardbevingen aldaar in te stellen.

De Regeering heeft welwillend aan dit verzoek voldaan en de van de Hoofden van Gewestelijk Bestuur ontvangen antwoorden aan het Bestuur der K. Natuurkundige Vereeniging gezonden. Daar het van belang is, dat de uitkomsten van het ingestelde onderzoek niet verloren gaan, deel ik hier de ontvangene berichten mede.

De Resident der Zuider- en Ooster-afdeeling van Borneo schrijft, in zijn missive dd. 21 December 1872, het volgende.

"In de archieven dezer residentie is weinig te vinden van vulkanische verschijnselen. Het eenige wat daaromtrent gevonden wordt, betreft een paar aardbevingen in de laatste tien jaren waargenomen.

Om van de in vroegere jaren plaats gehad hebbende verschijnselen iets te weten te komen, heeft men oude inlanders moeten raadplegen. Hetgeen van deze vernomen is, is echter op eene enkele uitzondering na zoo onbestemd, dat daaraan weinig waarde gehecht kan worden.

Zeker is het echter, dat vulkanische verschijnselen hier zeer zeldzaam zijn. De oudste inwoners weten zich slechts één aschregen en een vijf- of zestal aardbevingen te herinneren.

Van twee dezer verschijnselen is het genoegzaam bewezen, dat zij veroorzaakt zijn door vulkanische werkingen op andere eilanden van onzen archipel. Van de overige is niets anders bekend dan dat zij hebben plaats gehad.

Het oudste nog in herinnering zijnde verschijnsel is de bovenbedoelde aschregen.

Volgens een berichtgever had dit plaats in het jaar 1230 der arabische jaarstelling, overeenstemmende met het jaar 1815 onzer jaartelling. Volgens andere berichtgevers had het omstreeks 60 jaren geleden plaats gehad. Neemt men echter in aanmerking, dat de bevolking dezer streken geene chronologische aanteekeningen houdt en het tijdsverloop slechts bij gissing bepaalt, dan komen deze opgaven vrij wel overeen om met genoegzame zekerheid het jaar 1815 aan te nemen.

Dit verschijnsel werd langs de geheele zuidkust van af Tanah Laut tot Sampit, en misschien nog verder westwaarts op, tot twintig en dertig mijlen in het binnenland waargenomen. De indruk, dien het op de bevolking maakte, was groot; niet alleen dat alle oude inwoners er van weten te spreken, maar op sommige plaatsen zoo als te Kwala Kapoeas waar de aschregen langer en sterker geduurd moet hebben dan op eenige andere plaats, nemen de oude inwoners deze gebeurtenis als uitgangspunt hunner tijdrekening en spreken van zooveel jaren vóór of zooveel jaren na den aschregen. Van genoemde plaats wordt bericht dat de regen niet minder dan zeven dagen geduurd zou hebben en dat alles met asch bedekt was. Te Tanah Laut werd de aschregen voorafgegaan door zware slagen als kanonschoten. De hemel was gedurende drie dagen donker en de zonneschijf slechts even zichtbaar, terwijl de asch gedurende dien tijd als een zware regen neerviel. Van gelijktijdige aardschuddingen werd echter nergens iets waargenomen.

Ofschoon onze kennis van dit eiland nog zeer onvolkomen is, zoo weten wij er toch genoeg van, om de oorzaak van dit vulkanisch verschijnsel niet op het eiland zelf te zoeken. Was de aschregen het gevolg der uitbarsting van een ons nog onbekenden in het binnenland gelegen vulkaan, zeer zeker zouden zich daarbij nog andere verschijnselen geopenbaard hebben, die de toenmalige inwoners niet vergeten zouden hebben.

Daar in het jaar 1815 eene hevige uitbarsting van den Tembora op Soembawa plaats had, kan het geene gewaagde gissing heeten, den vermelden aschregen als een gevolg dezer uitbarsting aan te nemen.

Van 1815 af tot 1864 zijn de berichten omtrent waargenomen aardbevingen zeer onbestemd. Wel is waar wordt uit de Tanah Laut medegedeeld, dat eenige bewoners aldaar zich een drietal aardbevingen herinneren, als eene omstreeks 1844, eene in 1857 en eene in 1862, terwijl ook eenige bewoners van het oostelijk gedeelte der afdeeling Amoenthai, namelijk van de districten Batang Alai en Laboean Amas, van eenige waargenomen schokken gewag maken, naar nadere bijzonderheden omtrent die verschijnselen ontbreken geheel en al.

In den nacht van op Januari 1864 werd ter hoofdplaats Bandjermassin uit het zuidwesten een uur lang een aanhoudend gebulder als van zwaar kanonvuur gehoord; men meende zoo zeker kanonschoten te hooren, dat de gouvernements-stoomer Boni naar de monding der Barito gezonden werd om te onderzoeken of daar buiten ook iets gaande was. Later bleek het echter, dat omstreeks dienzelfden tijd eene uitbarsting van den Kloet had plaats gehad. Volgens mededeeling van eenigen ging het geluid vergezeld van eene sterke beweging van het water in de Bandjermassin-rivier. Een in dit geweest nog aanwezig ambtenaar van het binnenlandsch bestuur deelt mede, dat hij in dien tijd te Amoenthai zijnde, het gebulder aldaar ook zeer duidelijk gehoord heeft. Een toen hier plaatse aanwezig zeeofficier beweert echter, dat op de in de geul voor de Barito-monding liggende schepen niets van het geluid vernomen werd.

In het jaar 1866 werden hier drie kort op elkaar volgende aardbevingen waargenomen. De eerste op den 30sten September des morgens ten 9 1/2 uur. De schudding was licht en werd alleen ter hoofdplaats Bandjermassin waargenomen. Den 4den October werd de tweede des voormiddags om llu 50m waargenomen. Het was een vrij hevige schok, die ruim vier seconden aanhield en eene richting van het westen naar het oosten had. Deze schok werd in de geheele residentie gevoeld. Daaromtrent vindt men aangeteekend in het dagregister van den civielen gezaghebber te Kahaijan: "4 October 1866. Heden morgen omstreeks 11 uur werden met eene tusschenpoos van ±15 seconden twee schokken van aardbeving gevoeld in de richting van het westen naar het oosten." In het maandverslag van den assistent-resident van Amoenthai over de maand October 1866 wordt vermeld: "ten 10u 50m in den morgen van den 4den dezer werden te Amoenthai schokken van aardbeving gevoeld in eene richting van het noordoosten naar het zuidwesten." In het dagregister van den kontroleur van Barabei over dezelfde maand vindt men: "in den morgen van den 4den October 1866 om llu 7m hadden alhier schokken van aardbeving plaats, loopende van het zuidoosten naar het noordwesten." Volgeus eenige oude inlanders was deze aardbeving van October de sterkste, die zij ooit gevoeld hadden. De derde der in het jaar 1866 waargenomene aardbevingen had plaatst op den 27sten November des morgens om 8u 51m. Blijkens het dagregister van den assistent-resident van Bandjermassiu hielden de schokken, die vrij hevig waren, ongeveer 20 seconden aan en hadden zij eene richting van het oosten naar het westen. Het blijkt echter niet, dat deze schokken ook elders buiten de hoofdplaats zijn waargenomen.

Na de bovenvermelde werd nog eene aardbeving in 1868 te Kendangan in de afdeeling Amoenthai waargenomen. De aldaar gevestigde kontroleur schreef dienaangaande, dat op den 18den October 1868 des morgens ten 5u 55m te Kendangan een vrij hevige schok van aardbeving gevoeld was, die ruim 2 seconden aanhield en eene richting had van het zuidoosten naar het noordwesten. Deze schok moet ook ter hoofdplaats Bandjermassin door eenige inlanders gevoeld zijn, maar waarnemingen omtrent den tijd den duur en de richting zijn daarbij niet gedaan.

Sedert zijn geene aardbevingen meer waargenomen geworden.

Hierbij moet nog aangeteekend worden, dat geen der boven vermelde aardbevingen zoo hevig was, dat daardoor aan huizen schade veroorzaakt werd."

De resident der Wester-afdeeling van Borneo schrijft, is zijne missive dd. 22 April 1875, het volgende.

"Volgens een onderzoek ingesteld bij oude inwoners dezer residentie zijn in vroegere tijden de volgende aardbevingen gevoeld.

Te Boenoet (Sintang) eene aardbeving ongeveer 25 jaar geleden; te Sintang eene aardbeving voor 50 jaren, en eene voor 20 jaren en eene rivierbeving voor ongeveer 20 jaren. Te Mampawa vond voor 70 jaren eene zeer geringe aardbeving plaats, en te Sambas eene voor ongeveer 19 jaren."

De resident van Bangka schrijft, in zijne missive dd. 26 October 1872, het volgende.

"In deze residentie komen slechts zeer zelden aardbevingen voor. De oudste bewoners van Bangka, ter zake om inlichting gevraagd, wisten aangaande dergelijke natuurverschijnselen niets stelligs, dat vertrouwen verdiende, mede te deelen en ik ondervond, dat wat de een vertelde, de ander weder bepaald tegensprak.

In het alhier berustend archief zijn slechts berichten van twee aardbevingen gevonden, die beide in 1865 hebben plaats gehad en wel in de maanden October en November. Omtrent de eerste vermeldt het maandverslag van Bangka over October 1865 het volgende: "te Blinjoe heeft men op 29 October des namiddags omstreeks half drie uur twee schokken van aardbeving waargenomen." Omtrent de tweede aardbeving is in het dagboek van den administrateur der tinmijnen te Blinjoe het volgende opgeteekend: "In den nacht van den 18den op den 19den November 1865 is te Blinjoe ten 2½ uur, onder een licht onweder, een zware schok van aardbeving waargenomen; de schok was zoo hevig, dat de meeste stijlen en verbindingsbalken van de kazerne alhier uit hun verband zijn gerukt; in den morgen van den 19den viel een regen, die veel overeenkomst had met een aschregen."

Andere berichten omtrent op Bangka waargenomen aardbevingen en andere vulkanische verschijnselen heb ik niet kunnen vinden."

De assistent-resident van Billiton schrijft, in zijne missive dd. 20 September 1872, het volgende.

"Uit een door mij zelven en door den Depatty ingesteld onderzoek is mij gebleken, dat geen der oude bewoners van dit gewest zich herinnert, dat vroeger hier aardbevingen of andere vulkanische verschijnselen hebben plaats gehad; de aardbevingen, in den nacht van 15 op 14 Augustus en in dien van 17 op 18 Augustus 1872 te Dindang en Blantoe waargenomen, waren de eerste, welke hier, zelfs door de oudste inwoners, gevoeld zijn."

Uit de hierboven medegedeelde berichten blijkt ten duidelijkste, dat aardbevingen slechts uiterst zelden op de eilanden Borneo, Bangka en Billiton voorkomen.

Batavia, November 1873.



uit: Natuurkundig Tijdschrift voor Nederlandsch Indië, deel XXXIII. Eerste Aflevering. Zevende serie, deel III, aflevering 1. 1873, pp. 408-414. Uitgegeven door de Koninklijke Natuurkundige Vereeniging in Nederlandsch Indië.
trefwoorden: @Billiton, @Borneo, @Aardbevingen


naar boven (top)