Iets over de landstreek Blida (Sumatra) (1864)

Extract uit een verslag van den Resident van Palembang.


De landstreek Blida ligt besloten tusschen de rivieren Moesie Ogan en Lematang en beslaat eene oppervlakte van ongeveer 200 palen.

De afstand van de hoofdplaats Palembang tot het bewoonde gedeelte bedraagt 10 à; 12 palen; tot het onbewoonde d.i. moerassige gedeelte slechts 3 palen.

Dit landschap heeft slechts twee onbeduidende riviertjes, Kramassan en Blida, welke in de Moessie uitloopen.

Het bewoonde terrein is 25 à; 30 voeten boven de omringende rivieren Moessie, Lematang en Ogan gelegen, en alzoo onbereikbaar door het water daarvan.

Over het algemeen is de grond dor en onvruchtbaar en voor vele veldgewassen, vooral die, welke men in deze residentie gewoon is te teelen, ongeschikt.

Bosschen van eenige omvang vindt men er niet en is het geheele onbebouwde terrein overdekt met laag kreupelhout voor niets dienstbaar.

Jaarlijks wordt er rijst op ladangs verbouwd, die evenwel niet voldoende is voor de behoefte, weshalve een gedeelte der bevolking verpligt wordt, telkens weder naar andere afdeelingen te trekken, en aldaar meer door de natuur bevoorregte akkers te huren.

De Blida telt eene bevolking van 8543 zielen, verdeeld in 51 doessons en vijf margas.

Ten gevolge der onvruchtbaarheid van den grond is de bevolking arm, en door de telkens wederverplaatsing naar andere meer gezegende streken geneigd tot zwerven, en, als een gewoon verschijnsel daarvan tot stelen en plunderen.

Hoe geneigd echter tot zwerven en stelen, is het toch een goed, gewillig en onderworpen volk gebleven, dat vele kiemen in zich bevat, voor hoogere ontwikkeling en beschaving.

Even als in de andere beneden-afdeelingen staat ook daar de wijze van landbouwingen op zeer lagen trap.

Nimmer wordt de grond door ploeg, spade of patjol omgewoeld en is een groot mes het eenige werktuig wat bij den veldarbeid gebezigd wordt.

In andere streken waar de riveren telkens jare door hare overstroomingen eene vruchtbaarmakende slijk nalaten moge deze manier van arbeiden meer dan voldoende zijn, om in de behoefte van den landbouwer te voorzien, hier, waar de grond op zich zelf reeds niet vruchtbaar is en waar nimmer kwesties van overstrooming kan zijn is dit natuurlijk niet het geval, en dient de kunst te geven wat de natuur onthoudt.

De Blidanezen staan als volkstam geheel op zich zelf, en hebben zijn niet de minste overeenkomst in zeden en gebruiken met de hun omringende Moessieërs, Lamatangers en verder afgelegen Oganers.

Men beweert dat ze van Java herkomstig zijn.

Tijds het Sultans bestuur was hun invloed groot en waren zij de meest vertrouwde onderdanen.

Te dien tijde behoorden nog de Blida de margas Merrandjat, Boeri, Tambangan, Tandjong Batoe en Danau, die later, de vier eerste bij de Ogan ielir, en de laatste bij de Kommering ielir zijn gevoegd.

Dat de Blida, ofschoon dagen reizens van het bewoonde gedeelte der afdeeling Moesi ielir gelegenn en ofschoon er niet de minste overeenkomst in zeden , gewoonten enz. tusschen de volksstammen deze beide landen bestaat een onderdeel daarvan uitmaakt, heeft eene natuurlijke oorzaak.

Na de inbezitname der Palembangsche binnenlanden door de Sultans werd het gezag daarover verleend aan even zooveel Djenangs (later divisiehoofden) als er groote rivieren door 't gewest stroomden.

Zoo had de Djenang van de Moesie onder zich de tegenwoordige afdeelingen Ampat-Lawang, Moesie-Oeloe en Moesie-ielir, en, vermits de riviertjes Blida en Kramassan tot het stroomgebied van de Moesie behooren, werd ook dat landschap gesteld onder de heerschappij van den Djenang, die te Moeare Bliti verblijf moest houden, en over het onmetelijk stroomgebied der Moesie gezag voerde.

Deze toestand bleef bestaand tot in 1830 of 1831, toen de resident Praetorius daarin verandering bragt, en eene indeeling van divisiën maakte, zooals ze met weinig uitzonderingen, thans nog zijn.

Ware de Blida reeds jaren geleden onder meer direkt opzigt gebragt, en niet aan zichzelve overgelaten, zoo zoude men er thans waarschijnlijk eene welgestelde bevolking ontmoeten, want in weerwil van de mindere vruchtbaarheid van den bodem, is die bij goede bewerking en behandeling toch voldoende geschikt voor de teelt van menig nuttig en kostbaar gewas.

De in de binnenlanden onder anderen onbekende Katjang-kedèlé, waarvan op Java als tweede gewas zooveel werk gemaakt wordt en van welke boonsoort jaarlijks duizende pikols van Bali naar Singapore worden uitgevoerd, groeit in de Blida prachtig.

De Fernambuch katoen moet er welig tieren, zoo ook de Kakao, Klappers, Pisang en Koffij.

Ook rijst zal in voldoende hoeveelheid verbouwd en geoogst kunnen worden, zoodra de bevolking geleerd zal hebben, met landbouwwerktuigen om te gaan.



uit: Tijdschrift voor Indische Taal-, Land- en Volkenkunde, deel XIV, vierde serie, deel V (Batavia 1864), pp. 554-556.
trefwoord: @Sumatra


naar boven (top)