Aanteekeningen omtrent de bevolking van Billiton (1860)

door L. Schepern, adsistent-resident aldaar.


De bevolking van Billiton (eigenlijk Biltong) bedraagt circa 12.000 zielen, verdeeld in orang darat (bewoners van het vaste land) en orang sekah en djoeroe (bewoners van praauwen, waarmede zij langs de kasten zwerven); onder dit getal zijn mede begrepen de op de hoofdplaats Tandjong Pandan wonende vreemdelingen en omtrent 1.000 chinezen, waaronder 600 mijnwerkers.

De voortbrengselen en artikelen van uitvoer zijn: tin, ijzer (dat door de bewoners tot spijkers en wapens verwerkt wordt), rotanstokken, garoe- en embalohout, soga- en tinggi-boombast (verwhout), was, gom damar, legmatjes en kadjangmatten, terwijl de omringende zee tripang, agar-agar, schildpad en visch oplevert.
De rijst, die er op ladangs of drooge velden verbouwd wordt, is van min goede kwaliteit en niet voldoende om in de behoefte der bevolking te voorzien.

De artikelen van invoer bestaan in rijst, suiker, klappernoten, lijnwaden, aardewerk, tamarinde, tabak, thee, olie en eenige artikelen van minder aanbelang.

Billiton was vroeger cijnsbaar aan den sulthan van Palembang, door wien de vorst ook werd verkozen en aangesteld, maar deze verhouding heeft reeds zoo lang opgehouden te bestaan, dat het overbodig is dit punt verder aan te roeren.

Onder het Engelsch bestuur, waaraan van wege de Palembangsche vorsten, in 1812, het eiland Billiton in vollen eigendom was afgestaan, werd het toen regerende hoofd, depati Tjakra di Ningrat, door Radja Akil, een Siaksch hoofd, in 1813 vermoord, wegens weigering van den eersten om te Muntok te komen. Hij liet toen, onder andere kinderen, twee zonen na.

Na de teruggave van de kolonie door het Engelsch gouvernement werd, eerst na de overwinning van Palembang in 1821, Billiton door den Palembangschen pangeran sjarif Mohamad voor Nederland in bezit genomen, welke toen aldaar eenigen tijd met het beheer der zaken belast bleef, tot dat hij later werd opgevolgd door het hoofd der gewapende kruisbooten, pangeran sjarif Hasim, die, na zijnen dood, vervangen werd door het hoofd der Lepar-eilanden, mas agoes Mohamad Asik. Deze hoofden hadden toen meer bepaaldelijk te waken voor het weren der zeeroof, die toen naar willekeur gedreven werd.

De onophoudelijke oneenigheden tusschen deze lieden en den oudsten zoon van den vermoorden depati, die den titel van zijnen vader had aangenomen, deden wenschen, dat, op de eene op andere wijze, aan dien stand van zaken een einde werd gemaakt, hetgeen sedert gelukte, doordien mas agoes Mohamad Asik weder als hoofd der Lepar-eilanden werd benoemd, en, in diens plaats, de oudste zoon van den vermoorden depati, in 1838, als hoofd van Billiton, door de regering werd aangesteld tot hoofd der darat bewoners en sekahs, met den titel van depati, en sedert, tot aan zijn dood, in 1854, is blijven besturen. Hem werd een inkomen van het gouvernement van ƒ 200, een kojan rijst en een kojan zout ’s maands toegekend, tot tegemoetkoming in het houden van kruisvaartuigen tegen den zeeroof.

Volgens de bestaande adat moet, bij overlijden van den vader, de titel van depati overgaan op zijn oudsten zoon; maar de vorige depati, geen mannelijke kinderen hebbende, is, bij zijnen dood, zijn broeder kiagoes Mohamad, hem, in 1854, ouder den titel van depati Tjakra di Ningrat opgevolgd.

De tegenwoordige depati, heeft, evenmin als zijn overleden broeder, zonen, maar vier dochters, waarvan eene bij eene bijzit, de drie overigen bij twee echte vrouwen.

De oudste zijner echte dochters is getrouwd met kiagoes Mahmoed, welke niet van den bloede is, maar, bij zijn huwelijk, door de bevolking met dezen titel werd begroet. Zijne hierop volgende onechte dochter is gehuwd met een inlander genaamd kiagoes Itam, die hierdoor mede dezen titel verkreeg.

De derde zijner dochters, uit hetzelfde echte huwelijk als de vrouw van kiagoes Mahmoed gesproten, is gehuwd met het hoofd der policie te Tandjong Pandan, ngabehi kiagoes Endek, zoon van eene zuster van den depati. De vierde dochter is nog ongehuwd.

Billiton is verdeeld in zes distrikten, welke door distriktshoofden, met den titel van ngabehi, en onder het opperbeheer van den depati worden beheerd. Deze distrikten zijn: Tandjong Fandan (waaronder het eiland Mendanau, beheerd door een bezoldigden mandoer, behoort), Sidjok, Booding, Blantoe, Badau en Lingang.

Onder de ngabehi’s zijn weder mindere hoofden, voerende de titels van karia, batin, loerah en mandoer, echter niet door het gouvernement erkend of benoemd, die, door tusschenkomst van de distriktshoofden, bevelen van den depati ontvangen en hem in het doen uitvoeren daarvan behulpzaam zijn.

De depati wordt door het gouvernement aangesteld, zoo ook de ngabehi’s, op voordragt van den adsistent-resident, en na gehouden beraadslaging met den depati.

Slechts de mindere hoofden worden door den depati, na daarover met de ngabehi’s van het distrikt, waarin de benoeming geschiedt, te hebben gesproken, aangesteld.

Zooveel mogelijk worden tot plaatsvervangers de kinderen of bloedverwanten van een overleden hoofd aangesteld.

De depati en, in zekere mate, ook de mindere hoofden kunnen beschikken over de diensten van de onder hen staande bevolking. Ieder gehuwd man is verpligt 20 dagen per jaar bij zijn opperhoofd te werken, tot het maken en beplanten zijner ladangs (rijstvelden) en het bouwen en onderhouden zijner woningen en praauwen, gedurende welken tijd hij geen loon, maar slechts de kost verdient.

Indien evenwel een gehuwd man vier dochters heeft, die alle gehuwd zijn, zoo rekenen deze vier huisgezinnen slechts voor één en behoeven dan te zamen slechts de diensten van één man te verrigten. In dit geval is de vader hiervan verschoond. Ongetrouwde mannen zijn mede niet tot deze heerediensten verpligt.

De digt bij de huizen van den depati en van de ngabehi’s wonende lieden verrigten geene bepaalde diensten. Zij vergezellen de hoofden op hunne togten en worden mede gebruikt tot het overbrengen van bevelen.

Men noemt deze lieden orang magar sari.

Het karakter van den darat bewoner is over het algemeen goed en zachtzinnig. Zij zijn tamelijk goed te vertrouwen en diefstal, door een echten billitonner bedreven, is eene zeldzaamheid; maar, zoo als bijna alle inlanders, zijn zij zeer lui en onverschillig in werken, en daartoe slechts te bewegen, wanneer de nood hen drijft om in hunne behoeften te voorzien.

De bevolking van Billiton voorziet in hare behoeften door het maken van rijstvelden, die zij mede met suikerriet, pisang, ananas en eenige aardvruchten, zoo als obi kajoe (bengala), obi djawa, katella, kladdi en kambili, beplanten.

Ieder huisgezin moet jaarlijks aan zijn hoofd betalen eene gantang (4¼ katti) rijst en eene gantang emping (geroosterde en gestampte nieuwe ongebolsterde rijst), welke gift met den naam van boenga tahon (bloem van het jaar) wordt bestempeld.

De rijstvelden worden, daar dezelve slechts om de 8 of 10 jaar kunnen worden gebruikt, jaarlijks verplaatst, en, in den regel, verhuist de inlander mede jaarlijks naar zijn nieuw rijstveld; slechts in enkele gevallen beplanten zij den omtrek hunner woning met weinige soorten vruchtboomen, waar zij zich dan bepaald, als hunne rijstvelden niet te ver afgelegen zijn, ophouden. Zoodanige vaste woonplaatsen worden door den inlander kleka’a genoemd.

De rijstvelden alsmede de kleka’s gaan, bij overlijden, van de ouders op de kinderen over.

De ladangs bestaan eenvoudig uit omgehakt bosch, hetwelk, als het droog genoeg is, verbrand wordt en van paggers, ter wering van wilde varkens, herten en andere dieren, voorzien wordt.

Er bestaan op Billiton slechts twee zoogenaamde groote wegen, waarvan eene van Tandjong Pandan naar Sidjok (ongeveer 20 palen lang), en eene van Tandjong Pandan naar Badau (ongeveer 14 palen lang), welke wegen benevens de bestaande bruggen door de bevolking worden onderhouden.

Overigens is de kommunikatie tusschen de verschillende distrikten zeer slecht en bestaat, voor het grootste gedeelte, door voetpaden, die van ladang tot ladang loopen en daarom even dikwijls als dezen moeten worden verlegd.

De zijwegen naar de mijnen worden door de mijnwerkers aangelegd en onderhouden.

Men vindt op Billiton verscheidene rivieren, waarvan sommige, zoo als de Tjeroetjoep, Brang, Lingang, Soengei Padang en Sidjok, de eene in meer de andere in minder mate, voor niet te groote praauwen bevaarbaar zijn.

De meeste handel wordt gedreven door de zich ter hoofdplaats gevestigd hebbende vreemdelingen uit den indischen archipel en chinezen, welke laatsten zich, sedert de tinmijnontginning, bijna uitsluitend daarvan hebben weten meester te maken.

Er bestaan drie middelen welke ten voordeele van het gouvernement worden verpacht, als: de verkoop van opium in het klein, de po- en topho-spelen, en de kleine lombard; welke pachten in deze jaren circa ƒ 20.000 gezamenlijk afwerpen.

De daratbewoners belijden, over het algemeen, de mahomedaansche godsdienst, vermengd met boedismus en oneindig veel heidensch bijgeloof. Geen hunner is bekend met den koran, maar volgen slechts eenige aangenomen en bekende voorschriften en formules van denzelven.

Ofschoon, volgens hunne godsdienstige beginselen, den man meer dan eene vrouw is veroorloofd, maakt de darat bewoner, met uitzondering van slechts eenigen der hoofden, daarvan weinig of in het geheel geen gebruik.

Hunne huwelijken worden op de gewone wijze door den priester gesloten, die daarvoor ontvangt ƒ 1 zilver, een gantang rijst, een legmatje en eene kip, en dit na bekomen toestemming van de ouders en hoofden.

De bruidschat (oewang adat) verschilt van 9 tot 30 reaals (à; ƒ 2), en wordt door de ouders ontvangen. Aan de nieuw gehuwde vrouw wordt door haren man betaald 2½ reaal, welk geld met den naam van isi kawin bestempeld wordt.

Het vragen van een meisje aan hare ouders geschiedt door het zenden van een beteldoos, waarin eenig geld, ringen en kleedingstukken, en het aannemen van het gezondene wordt als toestemming beschouwd.

Gewoonlijk loopen de huwelijken zeer stil, met een eenvoudig feestmaal af. Slechts bij enkelen der voornamen worden de bruid en bruidegom beurtelings aan de genoodigden vertoond. Als de bruidegom gegoed is, wordt de bruidschat contant betaald; meestal wordt dezelve te goed gehouden.
Indien de vrouw verlangt te scheiden en de man hierin niet toestemt, maar de vrouw toch zulks doordrijft, moet de bruidschat, als die betaald is, door de ouders van de vrouw worden terug betaald, benevens eene boete (teboes talak), die 20 reaals bedraagt, en krijgt de vrouw dan niets van de gezamenlijke goederen als een stel kleederen, terwijl zij verpligt is met het aangaan van een nieuw huwelijk 100 dagen te wachten.

Indien het huwelijk met beider toestemming ontbonden wordt, moet de vrouw van de gezamenlijke bezitting ⅓ deel ontvangen, moet mede 100 dagen weduwe blijven, en behoeft de bruidschat niet terug betaald te worden.

Bij het overlijden van den man ontvangt de weduwe ⅓ deel der nalatenschap en moet drie jaren wachten alvorens zij weder kan trouwen.

Bij het aangaan van een huwelijk volgt de man de vrouw naar het distrikt waartoe zij behoort en komt alzoo onder het beheer van het nieuwe distriktshoofd. De kinderen uit dit huwelijk geboren worden beschouwd als te behooren tot het distrikt der vrouw.

Bij ontbinding van een huwelijk volgen de kinderen gewoonlijk den vader, tenzij zij bij de moeder verkiezen te blijven, in welk geval het punt in der minne beslist wordt.

Volgens de adat behooren de vrouwen aan het land en kunnen zij, al zijn zij met vreemdelingen gehuwd, hetzelve niet verlaten zonder toestemming van den depati.

Bij het overlijden van iemand wordt het lijk in lijnwaad gewikkeld en slechts zelden van eene kist gebruik gemaakt. Het begraven geschiedt gewoonlijk den zelfden dag dat iemand sterft en, zulks afgeloopen zijnde, wordt te huis gegeten en gebeden, hetgeen weder om de 3, 7, 50 en 100 dagen herhaald wordt. Tevens worden voor het wasschen van het lijk, het graven van het graf en het lezen van gebeden eenige geschenken en geld uitgedeeld, verschillende dit naar gelang van de meerdere of mindere rijkdom der nabestaanden.

De grafteekenen, welke tambak en missan genoemd worden, zijn van ijzerhout en dikwijls schoon uitgesneden.

Voor de besnijdenis van de jongens ontvangt de moedin (persoon die dit doet) evenveel als, bij een huwelijk, aan den priester betaald wordt.

Bij het besnijden van de meisjes ontvangt de vrouw die dit verrigt 60 duiten, een gantang rijst, een matje en een kip.

Bij het doorprikken van de ooren der meisjes wordt betaald 30 duiten benevens een gantang rijst, een matje en een kip.

Zoowel de besnijdenis als het doorprikken der ooren wordt met een feestmaal gevierd.

Omtrent de afkomst van de sekahs of orang laut is niet het minste bekend; sedert menschengeheugen houden zij zich op de kust van Billiton op.

Zij zijn verdeeld in vijf stammen, door hen soekoes genaamd, en wel de soekoe Djoeroe, de soekoe Katapang, soekoe Parak, soekoe Blantoe en soekoe Olim, die alleen onder het beheer van den depati staan.

Elke soekoe wordt daarenboven nog bestuurd door een hoofd, uit hun midden gekozen, en die kapala besaar wordt genaamd; vroeger voerden zij den titel van demang, die thans geheel is afgeschaft.

Onder den kapala besaar staan weder mindere hoofden, batin en katoewa geheeten.

De hoofden worden door den depati aangesteld, die daarover met de batins en katoewa’s moet raadplegen.

Gewoonlijk is de post erfelijk of wordt iemand gekozen wiens familie uit vele leden bestaat, welke dan allen gehoorzaamheid verschuldigd zijn.

Al deze menschen wonen op sampans (praauwen), die gewoonlijk 5 à; (6 vademen lang en 1 vadem breed zijn, en waarmede zij langs de kusten zwerven of zich stoutmoedig naar de omliggende eilanden wagen.

De soekoe Djoeroe volgt geheel de gewoonten en godsdienst van de billitonsche orang darat. Zij leven van de tripang-, schildpad- en vischvangst en verzamelen agar-agar, terwijl hunne vrouwen mede kadjangmatten vervaardigen. Hunne praauwen zijn gewoonlijk veel beter dan die der overige sekalis ingerigt, wien zij ook verre in beschaving vooruit zijn.

De overige sekahs belijden, over het algemeen, in het geheel geene godsdienst of zijn heidenen. Zij eten, met weinig uitzondering, met graagte wilde varkens en schildpadvleesch, dat door den maleijer voor hoogst onrein gehouden wordt. Enkelen van hen hebben zich doen besnijden en zijn tot het mahomedaansch geloof overgegaan.

Hunne taal is geheel verschillend van het maleisch, ofschoon zij dit ook in meerder of in minder mate verstaan, en wordt erg door de keel uitgebragt.

Zij bestaan mede alleen van hetgeen hun de zee oplevert, vooral de tripang en agar-agar, en van het maken van kadjangmatten. Slechts op het steken van schilpad leggen zij zich niet zoo sterk toe als de orang Djoeroe.

Hun voedsel bestaat uit rijst, obi bengala en sago, benevens visch, die zij zeer behendig met de harpoen steken, terwijl javaansche suiker hunne lekkernij uitmaakt.

Gedurende de oostmoeson is, door de vele windstilten, de tripangvangst voordeelig en kunnen zij daardoor ruimschoots in hunne behoeften voorzien, maar in de westmoeson lijden zij dikwerf groot gebrek en voeden zich dikwerf dagen lang met schelpdieren en visch.

Zij houden zich dan, als de gelegenheid zich daartoe aanbiedt, ook bezig met het verzamelen van tinggi- en soga-bast en het maken hunner sampans.

Er bestaat bij hen in het minst geen denkbeeld om een gedeelte van de opbrengst hunner vangst voor die slechte tijden te bewaren. Zij werken gewoonlijk slechts eenige dagen en blijven dan luijeren, tot dat liet verdiende verteerd is en de honger hen drijft op nieuw naar voedsel om te zien.

Hunne huwelijken worden zonder priester gesloten en behoeft daartoe alleen door de ouders aan de hoofden worden kennis gegeven. Voor of bij het sluiten van het huwelijk ontvangt de bruid een stel kleederen, en, in enkele gevallen, eene beteldoos met eenige oor- en vingerringen die gewoonlijk van zilver en slechts zelden van goud zijn.

Zij zijn uiterst gestelt op het dragen van armbanden, die zij somtijds bij menigte en vau grof koperdraad gemaakt, aan hebben.

Indien een man een meisje vraagt maar haar nog niet dadelijk wil trouwen, moet hij haar van dat oogenblik onderhouden.

Hunne bruidschat (oewang adat) bedraagt van 9 tot 30 reaals, die gewoonlijk met eene sampan, klein koperen huisraad, wapens en een klein gedeelte geld wordt voldaan.

In de meeste gevallen wordt de bruidschat niet dadelijk betaald, maar geschiedt dit bij het scheiden of het overlijden der vrouw.

Als de vrouw verlangt te scheiden moet het betaalde worden terug gegeven.

Indien een man uit de eene soekoe eene vrouw uit eene andere huwt, moet hij mede daartoe overgaan en het hoofd van de stam zijner vrouw gehoorzamen.

De kinderen, uit een huwelijk geboren, behooren immer tot de soekoe van de moeder.

Zij betalen jaarlijks aan den kapala besaar een gedeelte der tripang en agar-agar, dat circa ƒ 2 per sampan of huisgezin zal bedragen,

Ook de batins en katoewas heffen eene dergelijke schatting, van de tot hunne familie en ondergeschikten behooren de sampans. Zij zijn mede geregtigd tot een klein gedeelte der oewang adat of bruidschat.

Wanneer de tripangvangst voordeelig is, kan een man per dag gewoonlijk tot ƒ 2 verdienen.

Zij verrigten mede eenige diensten voor hunne hoofden, bestaande in het bemannen hunner praauwen, tot wering van zeeroof of tot het doen van reizen langs de kusten, en worden, in dat geval, door dengene die hen gebruikt, gevoed, maar genieten geen loon; voor hun voedsel wordt gerekend 2 kattis rijst per man 's daags.

In enkele gevallen genieten zij van hunne opperhoofden voorschot in rijst, hetwelk zij dan met tripang en agar-agar moeten restitueren; maar zij zijn in die soort van handel niet te vertrouwen, daar zij, in plaats van hunne schuld of een gedeelte daarvan te betalen, hunne vangst elders verkoopen.

Over het algemeen is de sekah zacht van karakter en, vooral op het land of in het bosch, werwaarts hij zich slechts met troepen durft, te begeven, zeer vreesachtig.

Billiton, 1 November 1858.



uit: Tijdschrift voor Indische Taal-, Land- en Volkenkunde, 3e serie, deel III (Batavia 1860), pp 56-66.


naar boven (top)