Batavia en de Brand van 1823

Den 28 Maart 1823 ontstond er te Batavia een hevige brand, welke des avonds tegen 7 ure op den bazaar buiten de voormalige Diestpoort in een bamboezen huis zijn begin nam. Daar deze bazaar grootendeels uit bamboezen woningen bestond, zoo was er bijna geene hoop op blusschen, en de eenige poging, welke eenen goeden uitslag kon beloven, was, om den brand binnen den eigenlijken bazaar te bepalen, en het overslaan der vlammen tot de steenen woningen deze digt bebouwde buurt te beletten.

De geweldige snelheid, waarmede het vuur de overhand nam, maakte zulks echter onmogelijk. Daarbij waren de bluschmiddelen in gebrekkigen staat, en ontbrak het aan werktuigen, om de brandende panden omver te halen.

Eerst later kwamen enige goede brandspuiten aan, doch daar de wind zijne rigting over de Tjiliwong nam, was men in groote bezorgdheid, dat het vuur ook daar zoude uitbreken.

Eindelijk sloeg de wind om, en wel zoo verre ten goede, dat hij woei over de reeds verwoeste ruimte, waardoor de vrees voor het zoo even bedoelde onheil verdween, eenige menigte huizen aan de noordzijde van den bazaar gespaard bleven, en men, in den morgen van den 29, de woedende vlammen meester werd.

Intusschen waren 40 steenen en 140 bamboezen woningen, benevens 120 warongs (kleine winkels) deels uitgebrad, deel geheel in asch gelegd, en besloeg de ledig gebrande grond de uitgestrektheid van ruim 2½ bund.

De schade aan vernield huisraad, koopmansgoederen, enz., was zeer aanmerkelijk.



uit: A.J. van der Aa, Nederlands Oost-Indië, of beschrijvingen der Nederlandsche bezittingen in Oost-Indië. Tweede deel (Amsterdam, 1849), pp. 331-332.
trefwoord: @Java


naar boven (top)