Batavia en de Opstand van Jonker (1689)

Een twist, tusschen den Raad van Indië St. Martin en zekeren Kapitein Jonker ontstaan, veroorzaakte in het jaar 1689 eenen kleinen oorlog in den omtrek van Batavia.

De eerste, door laatstgemelde, in het jaar 1680, niet ten onregte bij de Maatschappij van traagheid in het ondersteunen van Hadji, Koning van Bantam, aangeklaagd, had reeds onderscheidene middelen beproefd, om dien Kapitein eenige beleediging aan te doen; doch vond daartoe eerste gelegenheid in het jaar 1689, toen Jonker, te gelijk met den Balischen Kapitein Boelling, die weleer zijn slaaf geweest was, ten huize van St. Martin kwam; deze deed den Baliër eenen stoel geven, en liet Kapitein Jonker staan, die zoodanigen hoon met reden ten uiterste kwalijk nam, en van de Hooge Regering voldoening vorderde. Deze antwoorde, dat St. Martin voorzeker verkeerd had gehandeld, maar dat een ieder ten zijnen huize meester was, en dat dergelijke zaken niet tot de tafel des geregts behoorden.

Jonker nam toen het besluit, om zich zelven te wreken, en verzocht dagelijks ten zijnen huize aanzienlijke gezelschappen en onder de genoodigden altoos den Heer St. Martin, ten einde hem bij zulk eene gelegenheid insgelijks eenige beleediging aan te doen: deze had echter de voorzigtigheid van niet te verschijnen. Eindelijk ziende, dat hij op zulk eene wijze zijn oogmerk niet kon bereiken, en dat zijn neef Radja Bonso, overtuigd van het op het leven van den Heer St. Martin en den Gouverneur-Generaal Camphuis te hebben toegelegd, was gevierendeeld, liet Jonker, die vroeger der Maatschappij groote diensten gedaan had, zich zoo ver door zijne woede vervoeren, dat hij de grootste buitensporigheden en vijandelijkheiden tegen de Maatschappij zelve begon te plegen.

Hij zette buiten Batavia alles zoodanig in vuur en vlam, dat de Regering hare toevlugt tot de ernstigste maatregelen moest nemen, om zich van dien gevaarlijken rebel te ontslaan.

In een gevecht, tusschen een gedeelte van het garnizoen van Batavia en zijnen aanhang, had de Luitenant Holscher het geluk den Kapitein met eenen sabel ter neder te vellen, die daarop door anderen werd afgemaakt en in stukken gehouwen.

Ras volgde toen de verstrooijing van zijnen aanhang, van welken velen werden gevangen en gedeeltelijk geradbraakt of gehangen; ja men rekent, dat, wegens dezen opstand, 108 personen door scherpregtershanden werden ter dood gebragt.



uit: A.J. van der Aa, Nederlands Oost-Indië, of beschrijvingen der Nederlandsche bezittingen in Oost-Indië. Tweede deel (Amsterdam, 1849), pp 319-320.
trefwoord: @Java


naar boven (top)