Senn van Basel

De stamvader van dit geslacht is Heinrich Senn, die in 1606 te Bazel huwde met Anna Drechsler.

Zijn kleinzoon Hans Heinrich Senn woonde in 1679 in Schiedam en was daar in 1701-1708 armenbezorger en broodweger; hij komt voor als Jan van Basel, Johan Gabrielsz en Jan de Zwitser.

Diens zoon Willem van Basel kwam naar Batavia in 1719 als vrijburger met het schip "De Spiering" voor de Kamer Amsterdam.

Hij was vier malen gehuwd, waarvan twee malen te Batavia nl. in Jan. 1722 met Cornelia Magdalena Snaats van Colombo en op 30 Maart 1732 met Maria van Heurn van Poeloe Chinco.

Hij had een broer Gabriël van Basel in 1710 gehuwd met Adriana Opmeer, wiens zoon Hendrik van Basel ook naar Ned. Indië ging.

De tak van voornoemden Willem van Basel werd voortgezet door zijn zoon Huijnert van Basel, die in 1733 als ordinair klerk ter generale secretarie te Batavia zijn carriè;re begon, op 18 April 1752 raad extr. van India werd en op 23 Maart 1770 te Batavia overleed.

Bij zijn eerste vrouw Soetje Sara Cloot (1722-1769) had hij 8 kinderen, die allen Senn van Basel heetten en waaronder zoons met een talrijke nakomelingschap, Senn van Basel en Mersen Senn van Basel geheeten, deels uit wettige zoons, deels uit geadopteerde zoons gesproten.

Hendrik Gabrielszoon van Basel, voornoemd (1713-1761) kwam in 1735 met het schip "Westhoven" voor de Kamer Zeeland naar Indië, werd resident van Soemenep en later onderkoopman en 2de in de Groote winkel te Batavia (15 Juni 1759); was in Juni 1760 te Batavia gehuwd met Cornelia Johanna Bergwijk en had bij haar zeven kinderen, die zich eveneens Senn van Basel noemden, en waaronder drie zoons uit wie een uit wie een talrijk nakomelingschap uit natuurlijke kinderen.


bron: Bataviaasch Nieuwsblad, 5 Juli 1930.