Johan Eliza de Vrij

Geb. te Rotterdam 31 Januari 1813; overleden te ’s Gravenhage 31 Juli 1898. Beroemd kinoloog.

In 1832 vestigde hij zich als apotheker te Rotterdam, werd in '37 te Leiden tot Dr. in de chemie gepromoveerd, en volgde in '41 G.J. Mulder op als leeraar aan de klinische school te Rotterdam.

In '57 werd hij als scheikundige voor de kinacultnur op Java aan F.W. Junghuhn (II, 147) toegevoegd, een werkkring dien hij reeds in '63 verliet. Tusschen Junghuhn en De Vrij wilde nl. de samenwerking niet vlotten. Aan laatstgenoemde werd een Indisch medisch certificaat uitgereikt, waarin te lezen stond, dat De Vrij’s gestel door zijn eigen schuld zóó ten eenenmale ondermijnd was, dat hij met spoed (en gelukkig ook met pensioen!) naar Europa moest teruggezonden worden. Bijna een halve eeuw later raakte de steeds kerngezonde grijsaard nog in levendige verontwaardiging, als hij van die beschuldiging over zijn "ondermijnd gestel" gewaagde!

Na terugkeer in ’t vaderland vestigde De Vrij zich te ’s Gravenhage, en hij is daar tot weinige dagen voor zijn dood steeds ijverig en met nog jeugdige energie aan het werk gebleven, vooral in scheikundige onderzoekingen den kinabast betreffend. Grootendeels zijn deze als "Kinologische Studiën" gepubliceerd in Haaxman’s Tijdschrift (no. I—LX zijner "Studiën") en daarna in het Ned, Tijdschr. v. Pharmac. (eene nieuwe rij van 13 "Studiën tusschen 1889 en '98").

Groot is De Vrij’s verdienste op dit gebied, o.a. voor de beproeving der zuiverheid van het kininesulfaal uit den handel, en voor de bereiding van een goed kina-extract (Extractum cinchonae liquidum; de zg. "kina-droppels van Dr. de Vrij").

De Vrij was R.N.L. en o.a. ook "Companion of the Order of the Indian Empire"; in '97 werd hem de Hanbury-medaille toegekend; ook ontving hij het doctoraat in de geneeskunde h.c.

Eene uitvoerige levensschets, door Prof. F.A. Flückiger, met portret, komt voor in Reber’s Gallerie hervorragender Pharmacognosten der Gegenwart.

bron: Encyclopaedie van Nederlandsch-Indië (1896-1905), dl. 4, p. 658.