Albert Cornelis Vreede

Geboren te Gorinchem 29 Januari 1840, zoon van Prof. Mr. G.W. Vreede, liet zich in 1857 te Utrecht als student inschrijven, waar hij de colleges in de klassieke letteren der professoren Karsten en Rovers en die in de chemie van Prof. G.J. Mulder volgde. Na in 1859 het candidaatsexamen in de klassieke letteren afgelegd te hebben, zette hij deze studie niet verder voort, doch vertrok in 1861 naar Indië, waar hij bij de suikercultuur in Oost-Java werkzaam was.

Hier verwierf hij zich de kennis van het Madoereesch, die hem later aanleiding gaf tot het schrijven zijner werken over die toenmaals nog niet bekende taal.

In 1868 zag hij door eene oogziekte, die reeds een jaar geduurd had, zich genoodzaakt naar Nederland terug te keeren. Hier legde hij in 1870 het Indisch ambtenaars-examen af. Hij keerde evenwel niet naar Indië terug, doch vestigde zich als privaat-docent in het Javaansch aan de toenmalige Rijksinstelling ter opleiding van Indische ambtenaren. Toen de nieuwe wet op het Hooger Onderwijs de oprichting van vele nieuwe hoogleeraarsstoelen tengevolge had, werd hij den 11en October 1877 hoogleeraar in de Javaansche taal- en letterkunde, welk ambt hij aanvaardde met eene rede over de beoefening der Javaansche taal aan de Rijksinstellingen v. Ind. onderwijs als grondslag voor de studie dier taal aan de Rijksuniversiteit. Bovendien bleef Vreede tot de opheffing der gemeentelijke instelling ter opleiding van Indische ambtenaren hieraan verbonden.

In 1892 werd hij na de verschijning van zijn Catalogus der Javaansche en Madoereesche Handschriften der Leidsche Universiteitsbibliotheek, Doctor honoris causa in de taal- en letter- kunde van den Indischen Archipel. In den cursus 1896/97 was hij Rector Magnificus der Leidsche Universiteit.

Van zijne geschriften zijn, behalve zijne bovengenoemde oratio inauguralis en zijn Cat. der Jav. en Mad. Hss., nog te noemen: het Javaansch-Nederlandsch Handwoordenboek, waarvan hij de 2e uitgave (1875) met Roorda, de 3e (1886) alleen en de 4e (1901) met dr. Gunning uitgaf. De latere uitgaven van Roorda’s Javaansche grammatica. Zijn onderzoek naar de beteékenis der Javaansche wortelwoorden in Actes du 6e Congrè;s des Orientalistes à; Leyde, Section polynesienne, 37 sq en zijne rede als rector magnificus: "Over de oorspronkelijke en figuurlijke beteekenissen der Javaansche woorden" (Leiden, E.J. Brill, 1897)- Verder zijne bijdragen in het Feestalbum, aangeboden aan Prof. Veth, bevattende de episode in de Rangga Lawe over de stichting van Majapahit en in het Feestalbum, aangeboden aan Prof. Kern, getiteld: "Nog eenige taal- en letterkundige aanteekeningen op het Nieuw- javaansch gedicht Galagala" (bl. 195-198).

Tot zijne belangrijkste geschriften behoort de Handleiding tot de beoefening der Madoereesche taal, in vier deelen, waarvan de tweede druk in 1882-1890 verscheen, en de uitgave der Madoereesche Tjareta Brakaj (Leiden, E.J. Brill, 1878). Verder schreef hij nog in de Bijdr. van het Kon. Instituut v. T. L. en Vkk.: Javaansche spreekwijzen (4e volgr. II, 371-374). Nog iets over "koemijoes", "ngoendoeli mantoe" en "kajoet" (ib. III, 150-154)- Herinnering aan J.J. Meinsma (5e volgr. 11, 1-6); Javaansche spreekwijzen (ib. II, 164-166); Ala of Alah (ib. IV, 649-652); Herinnering aan Dr. J. Pijnappel Gzn. (6e volgr. X, 1 -14); Recensies of aankondigingen van: Tjareta Brakaj, Proeve van Mad. spelling door Dr. J.J. van Limburg Brouwer (ib. 3e volgr. XI, 369-385); Een boekje voor den inlander door het Ned.-Ind. Gouvernement uitgegeven (ib. 4e volgr. I, 165-187); De aanteekeningen van Meinsma op de Babad Tanah Djawi (ib. IV, 579-590); De vertaling der Abiasa door den heer H.C. Humme (ib. 591-593 en VIII, 229-261) en Kantteekeningen op de woordenlijst van Kern’s "de Fidjitaal vergeleken met hare verwanten in Indonesië en Polynesië" (5e volgr. II, 405-426). In het deel der Bijdr. T. L. Vk. uitgegeven ter gelegenheid van het Leidsche Orientalisten-congres, schreef hij: "Bangsa Tjara, Mad. dongeng. Tekst, vertaling en aanteekeningen" (bl. 137-143).

Ten slotte zijn nog te noemen zijne recensie van Elzevier Stokmans en Marinissen’s "Handleiding tot de beoefening der Mad. taal" (Ind. Gids, III, 329-336) en van F.S.A. de Clercq "Het Maleisch der Molukken" (Gids, 1878, II, 155).

bron: Encyclopaedie van Nederlandsch-Indië (1896-1905), dl. 4, pp. 653-654.