Adolphe Guillaume Vorderman

Geb. te ’s Gravenhage 12 Dec. 1844, overleden te Weltevreden 15 Juli 1902.

In 1866 als off. v. gez. der marine in Indië gekomen, in 1871 civiel geneesheer te Soemenep, in 1881 derde stadsgeneesheer te Batavia, in 1890 inspecteur van den burgerlijken geneeskundigen dienst.

Met eene ongewone werkkracht begaafd en een praktischen blik vereenigend met wetenschappelijken zin, heeft Dr. Vorderman gedurende de 36 jaren van zijne onafgebroken werkzaamheid als arts in Indië een aantal oorspronkelijke bijdragen op het gebied der natuurstudie en warenkennis geleverd.

Als zoodanig zijn o.a. te noemen zijne bijdragen tot de Indische voedingsleer (Analecta op bromatologisch gebied I, II en III, in Gen. Tijdschr. N.-I. XXXIII, XXXIV, XXXIX, en Beschr. catalogus van Chin. en Inl. voedingsmiddelen van Batavia, in Bijdr. T.L.V. VIII, 124, of wel Gen. Tijdschr. XXV), alsmede tot de geneesmiddelleer (Kritische Beschouwingen, Bat. 1886; Javaansche geneesmiddelen I en 11, in Gen. Tijdschr. XXXIV en XL; voorts vele kleinere bijdragen in genoemde tijdschriften, in Teysmannia, Tijdschr. v. inl. geneesk., enz.).

In 1897 verscheen van zijne hand: Onderzoek naar het verband tuschen den aard der rijstvoeding in de gevangenissen op Java en Madoera en het voorkomen van beri-beri onder de geïnterneerden.

Talrijk zijn ook Vorderman's opstellen op Indisch natuur-historisch, bepaald ornithologisch, gebied. Voornamelijk zijn deze geplaatst in het Tijdschr. der Kon. Nat. Ver. te Batavia, die sedert 1876 V. onder hare besturende leden telde; een overzicht der aldaar verschenen (44) bijdragen vindt men in genoemd tijdschr. LXII (1903), bl. 273.

Onder de vele wetenschappelijke onderscheidingen, aan V. bewezen, stelde hij het hoogst het hem honoris causa verleend doctoraat der hoogeschool te Utrecht, waar hij als mil. stud. zijne opleiding genoten had.

bron: Encyclopaedie van Nederlandsch-Indië (1896-1905), dl. 4, p. 587.