Christiaan Pieter Johannes van Vliet

Geboren te ’s Gravenhage, den April 1849, zoon van Ferdinand van Vliet en van Aletta Adriana Spiegel.

Hij werd in 1868, na volbrachte studie aan de Kon. Mil. Academie, benoemd tot 2e luit. der inf. en ging in den loop van datzelfde jaar naar Indië. Na aldaar, behalve bij zijn wapen, twee jaar bij den Topografischen dienst en zes jaar bij de genie dienst gedaan te hebben, keerde hij in 1880 naar Nederland terug, om de lessen aan de 2de afd, der Krijgsschool te ’s Gravenhage bij te wonen. Tijdens dit eerste verblijf in Indië had hij, in 1876, deel genomen aan de krijgsverrichtingen in Atjeh.

Einde 1882 in Indië terug gekomen, werd hij het volgend jaar als kapitein bij den generalen staf geplaatst en was van Juni 1885 tot Sept. 1887 chef van den staf in Atjeh en onderhoorigheden, onder de gouverneurs Demmeni en Van Teijn. Bij bevordering tot majoor, naar Java teruggekeerd, ging hij van daar wegens ziekte met verlof naar Europa.

Na zijne terugkomst in Indië vervulde hij eene belangrijke rol in de Atjeh-gebeurtenissen, Als luitenant-kolonel in 1894 tot chef van den staf in Atjeh en onderhoorigheden benoemd, maakte hij het tijdperk van generaal Deykerhoff en van den afval van Toekoe Oemar (Toekoe Djohan) mee. Onder leiding van den regeerings-commissaris, luitenant-generaal Vetter, werd toen ons geschokt gezag in Groot-Atjeh hersteld, en generaal De Moulin tot gouverneur benoemd. Deze overleed echter kort nadien. Toen viel de aandacht voor gouverneur op overste Van Vliet, die, bij zijne benoeming als zoodanig, bij keuze tot kolonel bevorderd werd.

Hem wachtte de moeilijke taak om den nieuw geschapen toestand te bevestigen en ons gezag verder uit te breiden, ook buiten Groot-Atjeh. Hij wist in Groot-Atjeh een belangrijk gunstiger toestand te verkrijgen, dan er vóórdien gekend was.

Wegens een verschil in zienswijze met de Indische regeering over de bevelvoering van de expeditie, die in 1898 tegen Pedir (Atjeh’s Noordkust) plaats moest vinden, verzocht hij van zijne functiën van gouverneur van Atjeh en Onh. ontheven te worden. Die ontheffing werd hem verleend, onder dankbetuiging voor de bewezen gewichtige diensten, met gelijktijdige bevordering tot generaal-majoor en benoeming tot chef van den generalen staf en van de VIIe afd. van het Dep. v. Oorlog. Kolonel J.B. van Heutsz volgde hem in Atjeh op.

In zijn nieuwen werkkring bleef generaal Van Vliet tot December 1898, toen zijne gezondheid andermaal een verlof naar Europa noodig maakte. In 1900 verliet hij het leger met pensioen. Voor zijne verdiensten in Atjeh mocht de generaal de M.W.O. 3e klasse verwerven.

bron: Encyclopaedie van Nederlandsch-Indië (1896-1905), dl. 4, p. 572.