Jacobus Augustinus Vetter

Gep. als luitenant-generaal, commandant van het leger en chef van het Depart. van Oorlog in N.-I. Zoon van Wilhelmus Bernardus en van Johanna Jacoba van der Klugt. Geb. 2 December 1837 te ’s Gravenhage.

Trad in 1853 in dienst bij het Instructie- bat. te Kampen, werd in 1859 benoemd tot 2e luit. bij het leger in Nederland en het volgend jaar overgeplaatst bij dat in O.-I.

Zijn eerste verblijf in Indië duurde van December 1860 tot Februari 1876. In dien tijd had hij als luit., luit.-adj. en kapt. bij verschillende korpsen gediend en een werkzaam aandeel gehad aan de krijgsverrichtingen in de Z.- en O. afd. van Borneo (1861-63), aan die in het Sintangsche in W.-Borneo (1864-66) en als chef van den staf der 11 brigade, aan de 2e expeditie tegen Atjeh (zie de artikels over Bandjermasin, Sintang en Atjeh).

Het tweede verblijf in Indië liep van November 1877 tot Juli 1889. In deze periode werd hij tot majoor en tot luitenant-kolonel bevorderd en nam hij deel aan krijgsverrichtingen in Atjeh (1877-79 en 1886-88) en in het landschap Mandor in W.-Borneo (1884-85). In de W.afd. van Borneo trad hij als militair-commandant op, te Atjeh was hij toegevoegd aan den civ. en milit. gouverneur van dat gewest (zie Atjeh, Mandor en Kongsi).

Tijdens het verlof in Ned. kolonel geworden, keerde hij in Mei 1890 in Indië terug, waar hij comm. van de 1e milit. afdeel, op Java werd, In November 1891 tot gener.-majoor bevorderd, was hij eerst comm. van de 2e Milit. afdeel, op Java en daarna chef van het wapen der infanterie, tevens chef van de IIe afdeel, van het Dep. van Oorlog.

Van Juni tot December 1894 was hij opperbevelhebber van de expeditie naar Lombok. Voor het eerste ongelukkige gedeelte dezer expeditie en de daarop gevolgde hervatte krijgsverrichtingen, die met volledig succes bekroond werden, wordt verwezen naar het artikel Lombok en de daarbij vermelde bronnen.

Na in Maart 1895 op verzoek eervol uit H.M. dienst ontslagen en naar Nederland teruggekeerd te zijn, werd generaal Vetter in Juni d.a.v. in activiteit hersteld en gelijktijdig benoemd tot luit.- gener., comm. van het leger en chef van het Dep. v. Oorlog in N.-I. Gedurende zijn verblijf in Nederland ontving hij het commandeurskruis der Milit. Willemsorde (zie de Lombok-expeditie, door W. Cool, bl. 479).

In 1895 kreeg generaal Vetter de opdracht om, vergezeld van den majoor van den gener. staf J.F. Breijer, naar Atjeh te gaan, om door eigen aanschouwing met de toestanden aldaar kennis te maken en met den gouverneur van Atjeh en onderh., generaal-majoor C. Deykerhoff, te overleggen omtrent de door dien opper-officier voorgestelde maatregelen.

Vóórdat de dientengevolge ingediende voorstellen geheel tot uitvoering waren gekomen, veranderde de toestand in den aanvang van 1896 in Atjeh geheel, door den afval van Toekoe Djohan (Toekeo Oemar, zie aldaar), en waren bijzondere maatregelen noodig om daar den wagen weer in het goede spoor te brengen. De Indische regeering zond generaal Vetter, als regeerings-commissaris, naar Atjeh, om naar bevind van zaken te handelen en de voorstellen te doen, die hij noodig zou achten. Nadat de tuchtiging der afgevallen hoofden volbracht was, Toekoe Oemar uit hun gebied verdreven, de veiligheid onzer hoofdvestiging verzekerd en de rust in de aan onze linie grenzende landschappen hersteld was, kon de regeerings-commissaris zijn taak als geëindigd beschouwen, en het beleid der Atjeh-zaken weder aan den civiel en militairen gouverneur overgeven.

In 1897 diende generaal Vetter andermaal het verzoek om ontslag uit H.M.’s dienst in. Dientengevolge gaf hij den 3en Sept. van dat jaar het commando van het leger over aan den luitenant-generaal L. Swart.

Behalve de boven besproken hooge onderscheiding in de Milit. Willemsorde, verwierf hij vóórdien eene eervolle vermelding in den strijd, de eeresabel voor betoonde dapperheid en is hij commandeur in de orde van den Nederlandschcn Leeuw.

bron: Encyclopaedie van Nederlandsch-Indië (1896-1905), dl. 4, p. 542.