Pieter Johannes Veth

Geb. 2 December 1814 te Dordrecht, uit het huwelijk van Huibert Veth en Cornelia Jobanna Pické, bezocht de Latijnsche school in zijne vaderstad, (waar vooral de lessen van den conrector Dr. J.W. Grimm, die grooten invloed op zijne vorming heeft gehad en door Veth steeds met groote dankbaarheid en hartelijke vriendschap werd herdacht, hem veel belangstelling inboezemden) en werd in 1832 als student aan de Leidsche Hoogeschool ingeschreven. Hier behaalde hij zoowel in de letteren als in de theologie den graad van candidaat, maar werd om verschillende redenen ontrouw aan de studie der theologie, waarom eene in 1838 gevolgde aanstelling als lector in het Engelsch en het Maleisch aan de Militaire Academie te Breda hem zeer welkom was.

Tijdens zijn verblijf aldaar, in December 1840, had Veth het bewijs geleverd van zijne gelukkige beoefening van het Arabisch door de uitgave en openlijke verdediging te Leiden van de eerste helft van een Specimen, exhibens majorem partem libri As-Sojutii de nominibus relativis, inscripti Lubb al-Lubâb. Vóór de uitgave van het tweede stuk van dit Specimen, werd Veth honoris causa door de Leidsche Academie tot doctor in de letteren bevorderd.

In 1841 tot hoogleeraar in de Oostersche talen, Hebreeuwsche oudheden en de uitlegkunde van het Oude Testament aan het Athenaeum te Franeker aangesteld, bekleedde hij deze betrekking slechts kort, daar hij reeds in November 1842 aan het Athenaeum te Amsterdam werd beroepen, om daar onderwijs te geven in dezelfde vakken als te Franeker, maar, alsof dit nog niet voldoende was, vermeerderd met de Wijsbegeerte. Op 1 Mei 1843 aanvaardde hij deze betrekking met eene Oratio de religionis Islamiticae ejusque historiae studio a theologis Christianis minime negligendo.

Ten gevolge van zijne benoeming tot hoogleeraar aan de nieuwe rijksinstelling tot opleiding van Indische ambtenaren verhuisde Veth in 1864 naar Leiden en ving den 22en September van bet genoemde jaar zijne lessen aldaar aan met eene Toespraak over den aard en het doel van het onderwijs in de land- en volkenkunde van Nederlandsch-Indië voor toekomende ambtenaren. Behalve het onderwijs in de land- en volkenkunde, was hem ook dat in de godsdienstige wetten, volksinstellingen en gebruiken der Mohammedanen in den Indischen Archipel opgedragen.

Bij de opheffing dier instelling in 1877 werd Veth benoemd tot hoogleeraar, thans uitsluitend in de land- en volkenkunde van den Indischen Archipel, aan de Leidsche Universiteit, welke betrekking hij aanvaardde met eene rede: De toevoeging der talen en letterkunde van Ned.-Indië aan de vakken van hooger onderwijs.

Nog eenmaal verwisselde hij van woonplaats, toen hij door het bereiken van den zeventigjarigen leeftijd in 1885 zijn eervol ontslag kreeg als hoogleeraar. Van dat jaar tot aan zijn dood op 14 April 1895 sleet hij zijn leven te Arnhem.

Veth’s werkzaamheid op wetenschappelijk gebied is van zoo verschillenden aard geweest, dat het ónmogelijk is in een kort bestek alles te overzien. Daarom zullen wij ons hier in hoofdzaak bepalen tot die zijner werkzaamheden, welke met de bevordering der kennis onzer koloniën in verband staan.

Reeds spoedig na zijne komst in Amsterdam, werd hij lid van het hoofdbestuur van het Nederlandsch Bijbelgenootschap. In die betrekking bevorderde hij de uitgaaf van Javaansche, Boegineesche, Bataksche en Dajaksche spraakkunsten en woordenboeken en van bijbelvertalingen in verschillende talen van onzen Archipel.

Van 1850-1852 was Veth (met D.C. Steyn Parvé) redacteur van het dagblad "De Indiër" toegewijd aan de belangen van Ned.-Indië, en van 1867-71 gérant der redactie van het "Tijdschrift voor Nederlandsch-lndië". Bovendien was hij lid van de redactie van de(n) Gids van 1844- 1876.

Tal van verhandelingen en aanteekeningen op velerlei gebied, betrekking hebbende op de kennis onzer koloniën, werden in deze periodieke geschriften gepubliceerd, vooral op het gebied van politiek, land- en volkenkunde, taal- en letterkunde, geschiedenis en natuurlijke historie.

Op politiek gebied deed hij zich kennen als aanhanger van Thorbecke, Van Hoëvell en Fransen van de Putte. Ook in het Zondagsblad en de Nieuwe Rotterdamsche Courant verschenen hoofdartikelen over politieke vraagstukken van zijne hand.

In het tijdschrift Eigen Haard publiceerde hij tal van bijschriften bij platen, op Indië betrekking hebbende.

Veth was secretaris der Regeeringscommissie, belast met het doen van voorstellen tot regeling van de opleiding der aanstaande Oost-Indische ambtenaren. Het resultaat dier voorstellen was de oprichting der Rijksinstelling tot opleiding van Indische ambtenaren te Leiden, waaraan Veth van den aanvang af als hoogleeraar verbonden was. Verschillende artikelen werden doorhem over de opleiding dier ambtenaren geschreven en in verschillende tijdschriften gepubliceerd.

Maar ook bet lager onderwijs, zoowel in Nederland als in Indië, ging hem zeer ter harte. Bij de opening der algemeene vergadering van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen in 1850 toch hield hij als voorzitter eene aanspraak: Over den toestand en de behoeften van het onderwijs der jeugd in Ned.-Indië, terwijl o.a. in het Tijdschr. van N.-I. (1851) voorkomt: Iets over de opvoeding der kinderen van Europeesche militairen in Ned.-Indië en in de Gids van 1858: Over het onderwijs der Javanen.

Van de vooral aan Veth’s on vermoeiden ijver te danken oprichting van het K.N.A.G, in 1873, was hij de eerste voorzitter en bleef dit tot in het jaar 1884, toen bij deze taak nederlegde en tot eere-voorzitter werd benoemd. Als voorzitter heeft hij niet weinig bijgedragen tot den snellen bloei van het Genootschap, en in het Tijdschrift door het Genootschap uitgegeven, zal men menige bladzijde van zijne hand aantreden. Vooral zijne bemoeiingen in zake de uitrusting der Sumatra-Expeditie, het redigeeren der berichten, ontleend aan de rapporten en correspondentiën der leden van die expeditie en later zijn toezicht op de uitvoering van het belangrijke werk: "Midden-Sumatra. Reizen en onderzoekingen der Sumatra-expeditie. Uitgerust door het Aardrijkskundig Genootschap 1877-79" waren van zeer gewichtigen aard.

Zeer veel arbeid en moeite is door Veth ten koste gelegd aan de koloniale tentoonstelling in 1883 te Amsterdam gehouden, in het bijzonder aan de bewerking van den catalogus der afdeeling Nederlandsche koloniën, welk omvangrijk werk onder tallooze bezwaren voor een groot deel door Veth zelven werd gereed gemaakt; maar waarvan hij bitter weinig voldoening heeft gesmaakt.

Zijne medewerking aan het Aardrijkskundig en statistisch woordenboek van Ned.-Indië, dat ten onrechte en niet altijd tot zijn genoegen geheel en al aan zijne pen werd toegeschreven, bepaalde zich tot de uitvoerige artikelen Sumatra en Timor, verschillende statistische en bibliographische mededeelingen en de voorrede tot het werk.

Veth’s geschriften op bijna elk gebied der Indologie zijn zoo talrijk, dat na de reeds genoemde hier nog slechts aan enkele der belangrijkste kan worden herinnerd. Zijn eerste uitvoerige werk over Indië is zijn: Borneo’s Westerafdeeling, geographisch statistisch, historisch, voorafgegaan door eene algemeene schets des ganschen eilands, 2 deelen, Zalt-Bommel 1854-1856, door een bevoegd beoordeelaar "minstens de evenknie van zijn Java" genoemd. Door Veth zelven en zeker ook door vele anderen werd voor zijn hoofdwerk gehouden: Java, geographisch, ethnologisch, historisch, 3 deelen, Haarlem 1875-1882. Voor dit werk werd hij bekroond op de geographische congressen te Parijs in 1875 en te Venetië in 1881 en viel hem in 1882 de medaille der Thorbecke-stichting ten deel. Tot des schrijvers groote spijt en teleurstelling is er nooit een grondige kritiek op dit werk geleverd, uitgezonderd de aanteekeningen op het eerste deel door den Regent Raden Mas Adipati Ario Tjondro Negoro in het Bijblad v.h. Tijdschr. Aardr. Gen. deel III. Doch, hoewel dan niet in geschrifte tot uiting gekomen, algemeen was toch de bewondering voor dit werk, waarin land en volk zoo juist en schoon beschreven waren, alsof de schrijver een groot deel zijns levens daar had doorgebracht, terwijl hij de Oost zelf nooit gezien, maar zijn bouwstof uitsluitend in Nederland verzameld had. Het was alsof Edmund Burke in zijn levendige beschrijving van Indië hem tot voorbeeld gediend had.

Een zijner liefste wenschen heeft Veth nog vervuld gezien, doordat nog bij zijn leven met den nieuwen druk van zijn "Java" een begin gemaakt is. De eerste vellen heeft hij nog kunnen lezen. Verder mogen hier nog genoemd worden: Bijdragen tot de kennis der voornaamste voortbrengselen van Ned.-Indië, uitgegeven door het Nut, de rijst 1860, de kofiie 1861, de katoen 1865, de sago 1866. Insulinde, het land van den orang-oetan en den paradijsvogel; uit het Engelsch van A.R. Wallace, vertaald en van aanteekeningen voorzien door P.J. Veth, Amsterdam 1870, 1871, 2 deelen. Deze aanteekeningen bestaan voor een deel uit verbeteringen en terechtwijzingen, voor een ander deel maken zij de lezing voor niet-natuurhistorische lezers gemakkelijker.

Zijn werk: Atchin en zijne betrekkingen tot Nederland, topographisch-historische beschrijving, met eene schetskaart van het rijk Atchin enz. door W.F. Versteeg, Leiden 1873, werd na onze oorlogsverklaring aan Atjeh in den tijd van vier weken aangevangen en voltooid, om aan de toen heerschende belangstelling tegemoet te komen.

Ontdekkers en onderzoekers, een zevental levensschetsen, ter tweede verbeterde en vermeerderde uitgave bijeenverzameld, Leiden 1884, bevattende de levensschetsen van Phil. Baldaeus, Sam. van de Putte, C.G.C. Reinwardt, J.F.G. Brumund, Taco Roorda, W.R. van Hoëvell en J.K.J. de Jonge. Voor een tweeden (niet verschenen) bundel waren o.a. bestemd: die van den sterrekundige J.M. Mohr (Gids 1885), van H.A. van Reede tot Drakestein (Gids 1887) en van S.C.J.W. van Musschenbroek (Tijdschr. v.h. Aardr. Gen. 1887).

Uit Oost en West, verklaringen van eenige uitheemsche woorden, Arnhem 1889. De leer der signatuur meteen naschrift over de Mandragora (Int. Arch. für Ethnogr. Deel VII, 1894). Het paard onder de volken van het Maleische ras, Leiden 1894 (Bijvoegsel tot deel VII van Int. Arch. für Ethnogr.). Na Veth’s dood verscheen nog: De Maleische kolonie in de Kaapstad (Eigen Haard 1896).

Eene volledige opgave van Veth’s geschriften zal men vinden achter den Feestbundel van taal-, letter-, geschied- en aardrijkskundige bijdragen ter gelegenheid van zijn tachtigsten geboortedag aan Dr. P.J. Veth aangeboden, Leiden 1894, ook afgedrukt achter het levensbericht van P.J. Veth in het Jaarboek der Koninkl. Akad. van Wetenschappen voor 1896.

Zie over hem: G. Dugat, Histoire des orientalistes de l’Europe, Paris 1868. I, bl. 100-120. Levensschetsen door Mr. W.B.S. Boeles, Frieslands hoogeschool en het Rijks Athenaeum te Franeker, 2de deel 1889 en door Mr. P.A. van der Lith, Jaarboek der Kon. Akad. van Wetenschappen 1896 en Levensberichten van de Maatsch. der Ned. Letterkunde te Leiden 1896. Verder portretten met bijschriften in Eigen Haard 1879, 1894, Letternieuws 1883, Portefeuille (Kerstnummer) 1887, enz.

bron: Encyclopaedie van Nederlandsch-Indië (1896-1905), dl. 4, pp. 540-541.