Veth (Daniël David)

Geboren 17 Febr. 1850 te Amsterdam; tweede zoon van Pieter Johannes Veth en Clara Büchler.

Met verwijzing naar de beneden geciteerde levensbeschrijving, worde hier vermeld zijn aandeel in het slagen der Sumatra-expeditie (1877-79) en de na afloop daarvan door hem bewerkte "Aardrijkskundige beschrijving van Midden-Sumatra", met atlas van 16 kaarten (1882) en een album met 145 fotografiën op 75 bladen, naar ter plaatse door hem gedane opnemingen. Gedurende deze reis hield het vraagstuk van den afvoer der Ombilin-kolen hem voortdurend bezig, en als gevolg daarvan verscheen, mede in 1882, eene niet in den handel gebrachte brochure "Eene stoomtram-verbinding tusschen Padang en de Padangsche bovenlanden en de exploitatie der Ombilin-kolen met behulp van eenen zwevenden kabelspoorweg". Ten behoeve eener door hem aangevraagde concessie voor dien afvoer, zonder rente-garantie van den Staat, begaf hij zich in dat jaar nogmaals naar Indië; zijn verzoek om concessie werd voor inwilliging niet vatbaar geacht.

Inmiddels vernam hij zijne benoeming tot secretaris van den regeerings-commissaris in zake de Koloniale Tentoonstelling te Amsterdam (1883); op zijn voorstel trad een veel ruimere subsidie ter bestrijding van de uitgaven in Indië in de plaats van de zeer kleine som die aanvankelijk toegestaan was 5 diensvolgens verbeterde het gehalte der uit Indië gezonden verzamelingen aanmerkelijk. Van de in Amsterdam op het tentoonstellingsterrein door hem ingerichte Indische kampong, het terecht zeer geprezen kijkje in Insulinde, heeft hij bijna alleen verdriet en schade gehad. Hiermede eindigde Veth’s aanraking met Indië.

Den 26en September 1884 vertrok hij naar de zuidwestkust van Afrika, ten behoeve van de trekboeren aan de Cunenc; den 19den Mei 1885 overleed hij aldaar, te Kalahangka aan de Coporolo-rivier. Zijn stoffelijk overschot is later te Dordrecht begraven.

Zie verder: Eigen Haard 1885, bl. 456 en 468; P.J. Veth en Joh.F. Snelleman, Daniël Veth’s reizen in Angola, voorafgegaan door een schets van zijn leven, Haarl. 1887.

bron: Encyclopaedie van Nederlandsch-Indië (1896-1905), dl. 4, pp. 539-540.