Gustave Marie Verspyck

Geboren te Gend (België), 19 Februari 1822, zoon van Abraham Cloudius Joannes en van Desideria Pieron.

In 1838 in dienst getreden als cadet der infanterie bij de K.M.A. In 1842 benoemd tot 2e luitenant bij het leger in Nederland, in 1846 overgegaan bij dat in O.-I. Hij diende daar in de rangen van luitenant, luitenant-adjudant en kapitein van 1846 tot 1856. Een gedeelte van dien tijd was hij ingedeeld bij het korps sappeurs. Van 1854-1856 nam hij deel aan de krijgsverrichtingen ter Westerafd. van Borneo, waar hij, in het gevecht bij Montrado, licht gewond werd en de M.W.O. 4e kl. behaalde.

Van Januari 1855-Juli 1856 was hij waarn. assistent-resident van Montrado, waarvoor hem, bij besl. v.d. G.-G., eene dankbetuiging gewerd voor de bewezen uitmuntende diensten.

Het tweede Indische tijdvak liep van 1859 tot 1868. Tot majoor bevorderd, werd hij commandant der troepen te velde, tevens waarn. resident in de Z.- en O. afd. van Borneo. "Voor zijne in die betrekking gedurende twee jaren bewezen uitmuntende diensten en het voortdurend naar eisch torschen van de daaraan verbonden groote moeijelijkheden en zorgen", werd hij in 1862 buitengewoon bevorderd tot luitenant-kolonel.

Een jaar later, onder dankbetuiging voor de vele en gewichtige diensten, op verzoek van zijne functiën ter Z,- en O. afd. van Borneo ontheven, diende hij op Java, totdat in 1865 zijne bevordering tot kolonel en benoeming tot chef van den generalen staf volgde.

Tijdens zijn verlof in Nederland (1868-70) werd kolonel Verspyck benoemd tot adjudant des Konings in buiteng. dienst en bevorderd tot generaal-majoor.

In dezen rang in Indië teruggekeerd, was hij eerst werkzaam bij het Dep. v. Oorlog, daarna commandant van de 2e Milit. afdeel, op Java, vervolgens chef der IIe afdeel, van het Dep. v. O. en, toen de 2e expeditie tegen Atjeh uitgerust moest worden, hoofd van het bureau voor de krijgstoerustingen op Sumatra, om daarna als 2de Bevelhebber bij die expeditie, naast generaal Van Swieten, op te treden.

In 1874 werd hij, op verzoek, gepensionneerd, onder dankbetuiging voor de vele bewezen belangrijke diensten en onder toekenning van den titul. rang van luitenant-generaal. Ondertusschen was hem het commandeurskruis van de M.W.O. en het ridderkuis van den Ned. Leeuw geschonken.

Na terugkeer in Nederland wachtte den generaal nog eene toekomst van groote bedrijvigheid. In 1878 werd hij benoemd tot adjudant-generaal en groot-officier van het Huis des Konings en in 1894 tot adjudant-generaal der Koningin, waardoor hij, eerst bij Koning Willem III, en daarna tijdens het regentschap van Koningin Emma en de regeering van Koningin Wilhelmina eene belangrijke plaats aan het hof innam en met verschillende gewichtige missiën bij buitenlandsche hoven vereerd werd. In 1895 viel op hem bovendien de keuze van Kanselier der Ncderlandsche Orden.

Van de vele onderscheidingen, welke generaal Verspyck ten deel zijn geworden, worden hier slechts vermeld, dat hij in 1881, met zijne wettige afstammelingen in den Nederl. adel verheven is, met den titel van "jonkheer", dat hij Ridder-Grootkruis der Oranje-Nassau-Orde is, en met de hoogste rangen in verscheidene buitenlandsche orden bekleed werd.

Als schrijver nam generaal Verspyck deel aan de Atjeh-polemiek, men zie de brochures: "Koudon en Atsjin" (1875) en "Generaal van Swieten en de waarheid" (1879).

Litteratuur:
Is in den Tijdspiegel van 1865, I, bl. 245 een aan den luitenant-kolonel G.M. Verspyck gewijd artikel te vinden, voor bijzonderheden omtrent zijn optreden op de Wester-, en op de Zuider- en Oosterafdeeling van Borneo, alsmede voor zijn aandeel in de geschiedenis van den Atjeh-oorlog, zijn de bronnen te vinden bij de artikelen: Kongsi (II, bl. 284), Bandjermasin (I, bl. 97) en Atjeh (I, bl. 68), alsmede in "de Krijgsgeschiedenis van Ned.-Indië", door G.B. Hooyer, dl. II, bl. 1, 24 e.v., 57, 70 e.v. en dl, III, bl. 80 e.v.

bron: Encyclopaedie van Nederlandsch-Indië (1896-1905), dl. 4, p. 534.