Henricus Christianus Verbraak

Geb. 24 Maart 1835 te Rotterdam. Aanvankelijk voor den handel bestemd, ging hij eerst op 27-jarigen leeftijd tot den geestelijken stand over en ontving de priesterwijding te Maastricht in 1869.

Bij Kon. besluit van 13 Aug. 1872 werd hij benoemd tot R.C. geestelijke in Ned.-Indië en vertrok spoedig daarheen. Hij bleef slechts korten tijd te Padang en kwam 29 Juni 1874 te Atjeh waar hij sedert, dus ruim 30 jaar, bijna onafgebroken verblijf houdt.

Gedurende dat verblijf wist Pastoor Verbraak zich zeer bemind te maken bij de militairen van alle gezindten op Atjeh, onder en met wie hij steeds verkeert, en die in hem niet uitsluitend den priester maar in de eerste plaats den mensch zien, die zonder onderscheid des geloofs, steeds bereid is te helpen en te troosten.

In 1894, toen V. zijn 25-jarig priesterschap vierde, hetwelk samenviel met zijn 20-jarig verblijf op Atjeh, ontbrak het hem dan ook niet aan huldebetoogingen en geschenken van die zijde. Bij die gelegenheid erkende de Regeering zijne verdiensten door zijn benoeming, den 21en October, tot Ridder in de Orde van den Nederlandschen Leeuw; te voren waren hem reeds de Atjeh-medaille en het expeditie-kruis uitgereikt.

Gelijke waardeering ondervond hij bij de herdenking van zijn 25-jarig jubileum in 1899, waarbij o.a. de Regeering hem de Oranje Nassau-Orde schonk.

Zie overigens: Bintang Djaoeh [= J.E.L. de Balhian Verster], Pastoor Verbraak te Atjeh, Eigen Haard, 1899, bl. 346, met portret; Berichten van den Sint-Claverbond, 1899, III, bl. 40 en IV, bl. 42; zoomede het Extranummer van "de Soldatenkrant" van 18 Mei 1899, geheel gewijd aan Pastoor Verbraak.

bron: Encyclopaedie van Nederlandsch-Indië (1896-1905), dl. 4, p. 510.