Rogier Diederik Marius Verbeek

Geb. 7 April 1845 te Doorn (prov. Utrecht), waar zijn vader P.R. Verbeek, predikant der gereformeerde gemeente was. Hij genoot het voorbereidend onderricht te Doorn, Geertruidenberg en ’s Hertogenbosch en werd in Sept. 1861 als student aan de Akademie (sinds 1864 Polytechnische school genoemd) te Delft, ingeschreven. In Sept. 1866 deed hij met goed gevolg het eindexamen voor aspirant-mijningenieur in Ned.-Indië, en vertrok in Dec. 1867 naar Batavia.

1 Mei 1868 werd hij benoemd tot aspirant-ingenieur; 15 April 1869, 17 Dec. 1872, 30 Maart 1874 en 24 Maart 1885 respectievelijk tot ingenieur 3e, 2e en 1e klasse. 19 April 1898 volgde zijne benoeming tot hoofdingenieur, Chef der Afdeeling Mijnwezen, en daarna werd hij den 4en Juni 1901 op verzoek uit ’s Lands dienst ontslagen; vertrok naar Holland en vestigde zich te ’s Gravenhage.

In Indië was Verbeek als mijningenieur werkzaam op Borneo, Sumatra, Java, Banka en Billiton en in de Molukken; in die veeljarige Indische loopbaan had hij een zeer gewichtig aandeel in de ontwikkeling en vooral ook in de verspreiding der kennis van de geologie en topographie van den Indischen Archipel.

De resultaten zijner persoonlijke wetenschappelijke onderzoekingen en studiën in dit opzicht, zijn in verschillende tijdschriften openbaar gemaakt, of - wat zijn hoofdwerken betreft -, afzonderlijk uitgegeven. Onder die tijdschriften bekleedt een belangrijke plaats het Jaarboek van het Mijnwezen in Ned. Oost-Indië; bijna alle jaargangen bevatten grootere of kleinere opstellen van Verbeek; daarnaast moeten genoemd worden het Natuurkundig Tijdschr. van Ned.-Indië, de Verhandelingen van de Kon. Akademie van Wetenschappen, het Tijdschr. van het Kon. Ned. Aardr. Genootschap, het Tijdschr. voor Nijv. en Landb. in Ned.-Indië en eenige buitenlandsche vak-tijdschriften.

Alleen de belangrijkste geschriften van Verbeek op geologisch-topographisch gebied kunnen hier vermeld worden, nl.:

  1. Die Nummuliten des Borneo-Kalksteines (N. Jahrb. f. Min. 1871, bl. 1, met platen). Vermeerderd opnieuw uitgegeven in Jaarb. Mijnw. 1874, II, bl. 133.
  2. Met Dr. O. Böttger e.a. Die Eocänformation von Borneo und ihre Versteinungen (Palaeontographica, Suppl. III, Liefr. 1, Cassel 1875-1878). Met 19 platen en 1 profiel. Ook verschenen in Jaarb. Mijnw. 1877, II, bl. 11; 1879, I, bl. 127, en II, bl. 3.
  3. Geologische beschrijving der districten Riam- Kiwa en -Kanan in de Zuider- en Ooster-Afd. van Borneo, volgens opnemingen in de jaren 1869 en 1870. Met kaarten, platen en profielen (Jaarb. Mijnw. 1875, I, bl. 3).
  4. Over het gebruik van doosbarometers bij de geologische opneming van Sumatra. Met plaat (Jaarb. Mijnw., 1875, I, bl. 147).
  5. Het Oembilien-kolenveld in de Padangsche Bovenlanden, Sumatra’s Westkust. Met geogr. kaart, geol. overzichtskaart en 2 bladen geol. profielkaarten (Jaarb, Mijnw., 1875, II, bl. 3).
  6. Over de beste ontginningswijze van een gedeelte van het Oerabilien-kolenveld. Met kaartje (Jaarb. Mijnw. 1875, II, bl. 85).
  7. Topographische en geologische beschrijving van Zuid-Sumatra, bevattende de res. Bengkoelen, Palembang en Lampongsche Districten. Met geol. kaart, 13 profielbladen en 3 plattegronden (Jaarb. Mijnw. 1881, I, bl. 3). En Aanvullingen en Verbeteringen met 4 kaarten en 2 profielen (Ib. 1887, Techn. en Adm. Ged. II, bl. 129).
  8. Met R. Fennema, Nieuwe geologische ontdekkingen op Java. Met teekeningen (Verh. Kon. Ak. v. Wetensch., Afd. Natuurk., Dl. 21, 1881, 22 Stuk).
  9. Geologische Aanteekeningen over de eilanden van den Ned.-Indischen Archipel in het algemeen, en over de fossielhoudendc lagen van Sumatra in het bijzonder. Met teekeningen (Verh. Kon. Ak. v. Wetensch. Afd. Natuurk., Dl. 21, 1881, 3e Stuk).
  10. Topographische en geologische beschrijving van een gedeelte van Sumatra’s Westkust. 1e Gedeelte, naar de opnamen en verslagen van Verbeek, Van Schelle, c.a., bl. 1-574 bewerkt door R.D.M. Verbeek; 2e Gedeelte, naar de opnamen van Verbeek, bl. 575-674. Met 19 kaarten, platten grond, 7 geol. gekleurde profielen, enz. Batavia, 1883.
  11. Krakatau. Deel I (bl. 1-100), Batavia, 1884. Deel II (bl. 101-546). Met koker bevattende 43 kaarten en teekeningen en 1 fol. album met 25 platen in kleurendruk. Batavia, 1885. Hetzelfde werk in het Fransch, 2 dln. Batavia, 1885, ’86. Een tweede druk van Dl. I, Batavia, 1888.
  12. Met R. Fennema. Geologische beschrijving van Java en Madoera, Amsterdam, 1896. 2 dln. met platen en fol. atlas met 50 kaarten. Hetzelfde werk in het Fransch, Amsterdam, 1896.
  13. Geologische beschrijving van Bangka en Billiton. Met 7 kaartenbladen, 2 bladen profielen en 4 platen (Jaarb. Mijnw. 1897, geheel).
  14. Kort verslag van de aardbeving te Amboina (Extra-Bijvoegsel Jav. Courant, 20 Jan. 1896); Id. over de aardbeving te Soekaboemi (Ib. 23 Febr. 1900); Id, van de aard- en zeebeving op Ceram (Ib. 13 Maart 1900).
  15. Voorloopig verslag over eene geologische reis door het Oostelijk gedeelte van den Indischen Archipel in 1899. Met kaartje (Extra-Rijv. Jav. Cour. 17 Aug. 1900).
  16. Opgave van geschriften over de geologie, mineralogie, topographie en mijnbouw van Ned. Oost-Indië. Jaarb. Mijnw. 1875, Ui bl. 189. 1e Vervolg, Ib. 1876, I, bl. 190; 2e Vervolg, Ib. 1877, II, bl. 226; 3e Vervolg, Ib. 1880, I, bl. 269; 4e Vervolg, Ib. 1886, Techn. en Adm. Ged., bl. 136. En 5e Vervolg, Ib. 1903, bl. 148.

Voor Verbeck’s kleinere opstellen wordt naar deze hoogst nuttige en volledige bibliographie verwezen, zoomede naar de afzonderlijke registers op het Jaarb. Mijnw., in 1882 en 1891 verschenen.

Behalve op geologisch terrein bewoog Verbeek's werkzaamheid zich ook op dat der archaeologie. Reeds in 1880 schreef hij met E.Th. van Delden een opstel: "De Hindoe-ruïnen bij Moeara Takoes aan de Kampar-rivier, Padangsche Bovenlanden, met Aanteekeningen van W.P. Groeneveldt". Met teekening (Verh. Bat. Gen. v. K. en W., Dl. XLI, 1881, 4e Stuk); en in 1889 nog een artikel "De oudheden van Madjapahit in 1815 en 1817”. Met kaartje (Tijdschr.Bat.Gen.Dl. XXXIII, 1890, bl. l). En ten slotte het hoogstbelangrijkc geschrift: „Oudheden van Java. Lijst der voornaamste overblijfselen uit den Ilindoetijd op Java, met eene oudheidkundige kaart van Java in 5 bladen (Verh. Bat. Gen. Dl. XLVI, 1891, geheel), met zeer nuttige litteratuur-vermelding bij iedere oudheid.

Eindelijk schreef hij nog een uitvoerig levensbericht van den in 1897 in het meer van Posso verdronken hoofdingenieur R. Fennema (zie deze Encycl.) in Jaarb. Mijnw. 1903, bl. 123 (met portret en lijst van geschriften).

De groote verdiensten van Verbeek werden door de wetenschappelijke wereld op juisten prijs gesteld; behalve dat verschillende binnen- en buitenlandsche geleerde genootschappen hem tot lid of eerelid benoemden, genoot hij de onderscheiding door de filosophische faculteit der Universiteit te Breslau den 21en Juli 1885 tot doctor honoris causa te worden benoemd, terwijl de Nederlandsche Regeering hem den 9en Jan. 1886 tot Ridder der Orde van den Nederlandschen Leeuw benoemde.

bron: Encyclopaedie van Nederlandsch-Indië (1896-1905), dl. 4, pp. 509-510.