François Valentijn

Geboren den 17en April 1666, uit het huwelijk van A. Valentijn, conrector der Latijnsche school te Dordrecht, en M. van Rysbergen.

Hij genoot zijn eerste opleiding op genoemde school en studeerde later aan de Hoogescholen te Utrecht en te Leiden in de Godgeleerdheid, Wijsbegeerte en aanverwante vakken. Nauwelijks 18 jaar, deed hij de vereischte examens, werd op het laatst van 1684 als predikant naar Indië beroepen en vertrok daarheen den 10en Mei 1685, dus op 19-jarigen leeftijd.

Na eenig oponthoud aan de Kaap bereikte hij den 30en Dec. 1685 Batavia, en 1 Mei 1686 zijn standplaats Amboina. Het aanleeren der Maleische taal, noodig voor zijn ambt, viel hem hier niet moeilijk; onder leiding van den bekenden G.E. Rumphius en van den ouderling J. de Ruiter, bracht hij het zoo ver dat hij den 3en Aug. van datzelfde jaar reeds in het openbaar in het Maleisch predikte.

Het volgend jaar wees de Politieke Raad van Ambon hem aan, zeer tegen zijn zin, voor een vacante plaats op Banda. Valentijn’s protest mocht niet baten; het heette: den last volbrengen, of anders "met afgeschreven gage" naar ’t vaderland terug; aldus vertrok hij in Juli 1687 naar Banda, met achterlating van een zuster die hem spoedig naar Indië was gevolgd. In 1688 (16 Mei) keerde Valentijn weder naar Ambon terug, en begon in het volgende jaar, volgens eigen getuigenis aan het overzetten van den Bijbel in "’t gemeen of laag Maleits" (III, 1, fol. 80) [1].

Den 12en October huwde hij met Cornelia Snaats, Weduwe Leydekker, weduwe nl. van zijn vriend en beschermer Henrik Leydekker, in leven burger-kapitein en lid van den Raad van Justitie op Ambon, die aan zijn vrouw, behalve 4 kinderen, hoogstwaarschijnlijk een groot vermogen had nagelaten [2].

Den 6en Mei 1694 vertrok V., wiens 5-jarig verband sedert lang was verstreken, met vrouw en 5 kinderen (4 stiefkinderen, nl. 2 jongens en 2 meisjes, en een eigen dochtertje) naar Batavia, waar hij na een gevaarlijke reis in Juni aankwam; in Dec. ging hij door naar het vaderland, dat hij 24 Aug. 1695 bereikte, en waar hij zich in zijn geboortestad Dordrecht vestigde.

Het is zeker, dat Valentijn geen plan had opnieuw naar Indië te gaan; doch "op de ernstige aandrang van eenige vermogende Heeren, [zijne] goede vrienden" (III, 1, fol. 95) zich liet overhalen een tweede beroep aan te nemen, onder beding evenwel dat hem weder Ambon als standplaats zou worden aangewezen.

Onder die voorwaarde vertrok hij met zijn gezin [3], na een tienjarig verblijf in Holland, weer in Mei 1705 en kwam den 27en Dec. te Batavia aan. Door de ongemakken der reis ongesteld, vroeg V. der Ind. Reg. een jaar op Batavia te mogen verblijven, hetgeen hem werd toegestaan; doch den 22en Juni 1706 werd hij aangewezen als veldprediker bij het leger in Oost-Java, waarmede de Ind. Reg. in strijd met de bevelen der HH. XVII handelde, die V., zooals gezegd, voor Ambon bestemden.

Begrijpelijk is dus dat Valentijn het niet aan protest liet ontbreken; toch bleef hem ook nu slechts over te gehoorzamen. Uitgeput door de vermoeienissen van den viermaandschen veldtocht kwam V. den 15en November te Batavia terug en kon eindelijk in Febr. 1707 naar Amboina afreizen.

Na een vijfjarig verblijf aldaar, ging hij in Mei 1712, om inlichtingen te kunnen verstrekken aan den Gouv.-Gen. Van Riebeek over Ambonsche kerkelijke aangelegenheden, naar Batavia, waar de Ind. Reg. hem opnieuw den voet dwars wilde zetten door hem te bestemmen voor een vacante plaats op Ternate. Dit weigerde Valentijn echter beslist; zijn gage en emolumenten werden nu afgeschreven en hij verkreeg, op zijn verzoek, verlof om te repatrieeren, doch buiten dienst. In Dec. 1713 vertrok hij naar het vaderland waar hij na eene, vooral op ’t laatst, moeielijke reis den len Aug. 1714 "door Gods zonderlinge genade" (IV, 2, 2e Stuk, fol. 165) behouden aankwam, en in zijn blijdschap over dat feit zelfs al zijn "Kaapsche schoone Constantia wijn (hoewel maar weinig zynde) en een half Aam ingezoute schoone Kool, nevens een half Aam heerlyky Kaapsche ingeleide Quee-Peeren" aan de loodsen schonk; "hoewel my ’t een en ander naderhand wel gerouwd heeft" (l.c.), laat V. onmiddellijk volgen.

Valentijn vestigde zich opnieuw in zijn geboortestad Dordrecht. Daar bleef hij bijna zijn geheel verder leven wonen, in de eerste plaats zich wijdend aan de samenstelling en uitgave van zijn groot Indisch werk en daarnaast zich verpoozend, uitspanning zoekend (zooals zoovele oud-Indischgasten in die dagen) in zijn verzameling "zee-horenkens" en "zee-gewasschen". Hij richtte in de plaats zijner inwoning een kransje "Neptunus-Cabinet" op, welks leden elkanders schatten aan "Bagyne-drollen, lobbetjes, pimpelkens, navelkens, zee-handschoenen, vloyen-scheeten" enz. konden bewonderen en V. liet er zich heel wat op voorstaan dat hij "bevorens [wel] drie honderd zoortén van Hoorns en Schelpen meer, dan de heer Rumphius gehad [had]" (III, 2, fol. 536), maar dat hij zijn eerste Cabinetje aan een "groot Heer" vereerde "op hope van daar door een van myne Zwagers met een goed Ampt na Indien te helpen, wat my wel beloofd was: maar daar niets op volgde; en dat my, om de zeldzaamheid der stukken, die daar by waren, naderhand zeer berouwde" (ib. fol. 537).

Intusschen vertrok Valentijn, nadat zijn werk bijna geheel was afgedrukt, in 1726 naar ’s Gravenhage, in welke plaats hij in 1719 reeds eenige maanden had gewoond [4].

Hij overleed aldaar het volgend jaar, den 6en Augustus 1727, maar werd in zijn vaderstad den 12en d.a.v. "met koetsen ses boven ’t ordinaris getal" begraven.

Van belang zijn nog eenige levensbijzonderheden over Valentijn’s naaste verwanten [5].

Valentijn’s zuster, van wie reeds sprake was, maar wier naam hij het nergens de moeite waard heeft geacht te vermelden, huwde in 1688 of ’89 met den vaandrig P. de Brievings.

Zijn broeder Joannes, die hem ook spoedig naar Indië volgde, en op Banda "Overdrager van ’t Soldy-Comtoir" werd, overleed aldaar op ’t laatst van 1689 (waarschijnlijk door vergif, zegt V.).

Valentijn’s jongste stiefdochter, Petronella, huwde 8 Juli 1708 met den Onderkoopman B. de Bruyne en overleed 21 Aug. 1720.

De oudste stiefzoon van V., Gerard Leydekker, trouwde 2 Maart 1710 met de weduwe van P.A. Rumphius (in 1706 op de reede van Batavia verdronken), "Zoon van dien vermaarden blinden Hr. Georgius Everhardus Rumphius" (IV, 2, 2e St. fol. 152), die zelve in 1702 was overleden.

En V.’s jongste stiefzoon, Bartholomeus Leydekker, huwde 19 Juli 1711 met de oudste stiefdochter van zijn broeder, d.i. dus met de kleindochter van G.E. Rumphius, doch overleed 16 Maart 1716 te Batavia. Al deze huwelijken vonden op Amboina plaats.

V. keerde alzoo de tweede maal naar Holland terug, met vrouw, één eigen dochter, Maria, die 18 Juni 1719 huwde met B. Forcade, Dominee te Dordrecht (overleden 23 Dec. d.a.v.); en zijn oudste stiefdochter Cornelia, die waarschijnlijk ongehuwd bleef. Zijn echtgenoote overleed 17 Juni 1717 te Dordrecht; deze beide dochters overleefden hem.

Met Valentijn was heengegaan een man van meer dan gewone beteekenis, wiens naam, in verband tot Indië, telkens en telkens later nog genoemd zou worden.

Niet echter om zijne hoedanigheden als O.-I. predikant; als zoodanig verhief hij zich niet boven zijn ambt- en tijdgenooten.

Evenmin om zijn taalstudiën, meer in ’t bijzonder zijn bijbelvertaling; waarbij toch even moet stilgestaan om ’t belang dezer zaak voor Valentijn-zelven. Zooals hiervoor werd opgemerkt, begon V. volgens eigen verklaring in 1689 reeds met de overzetting van den Bijbel in ’t laag-Maleisch, en had haar voltooid toen hij voor de eerste maal in Holland terugkeerde. Al zijn pogingen echter om die vertaling van Comp.’s wege gedrukt te krijgen, stuitten af op den tegenstand van den Batavia’schen Kerkeraad en de Ind. Reg., die meenden dat "hoog-Maleisch" de voorkeur verdiende. Zulk een vertaling van den Bijbel hadden deze zelfs opgedragen aan den Batav. predikant Melchior Leydekker [6]. Over deze kwestie van taal ontstond in Indië en in Holland een persoonlijke, vinnige kerkelijke strijd.

Valentijn schreef, om zijn goed recht te bepleiten, van zijn kant in 1698 een heftig, thans hoogst zeldzaam boekje: "Deure der Waarhyd, enz." (Dordregt, C. Willegaarts, 1698), wat echter niets uitwerkte [7]; en hoewel hij later, op verzoek van den Bat. Kerkeraad, zijne vertaling geheel omwerkte in, wat V. noemt "hooger Maleitsch" (III, 1, fol, 109), werd zijn Bijbel nimmer gedrukt.

Doch waar Valentijn telkens de ondervonden tegenwerking uitsluitend wijt aan de familiebanden (nl. zwagerschap) tusschen genoemden Leydekker met 2 leden van de Hooge Reg. in Indië [8], komt het billijk voor op het volgende door V. stelselmatig verzwegen feit, de aandacht te vestigen. Kort na Valentijn’s dood, in 1736 reeds, toonde de bekende Ds. Werndly [9] aan, dat V. als boedelbezorger der nalatenschap van Ds. J. du Bois [10], zich uit diens boedel een Maleische bijbel-overzetting door den overleden predikant S. de Large had toegeëigend, "gelyk de Ambonsche Kerkenraedt in verscheide brieven aantekent". Hieruit blijkt dus dat Valentijn’s werk in opzet wel niet oorspronkelijk was; en als zeker aannemende dat de Ind. Reg. en de Bat. Kerkeraad het gebeurde wisten, kan men de ondervonden tegenwerking aldus beter verklaren, dan naar de wijze waarop V. haar voorstelt.

Dat bovendien veel van Valentijn's Maleischen arbeid niet van hemzelven was, doch van zijn vrouw, juffrouw Cornelia Valentijn, mag als zeker worden aangenomen. Deze was reeds op 13-jarigen leeftijd om haar taalkennis vermaard, en Valentijn heeft in zijn Dl. I, fol. 120-121 een Mal. brief met Arab. letter van den Sultan van Batjan gecopieerd door haar band, in facsimile weergegeven [11].

Ook ander werk van Valentijn op taalgebied mocht nimmer het licht zien, zoo bijv, een groot Maleisch woordenboek (van hemzelf?); idem een Javaansch (van hemzelf??); eene beschrijving van den Moh. godsdienst in ’t Maleisch (van hemzelf?). Eene volledige opgave zijner hss. vindt men in de "Boekzael", 1727, II, blz. 618; en verg. Werndly, op. cit. 1736, bl. 294-295, en 304.

Doch Valentijn bleef bij het nageslacht in eere om zijn in vele opzichten onschatbaar "Oud en Nieuw Oost-Indien", een standaardwerk, de eerste Encyclopedie (met al haar deugden en gebreken) over gansch Indië, nl. over de landen waar de Compagnie toenmaals gezag uitoefende.

"Vraagt men my" (zegt V. in zijne Voorrede), "wat my bewogen heeft dit Werk te schrijven, niet anders, dan om eere by de Verstandige Wereld in te leggen, om te toonen, dat ik myn tyd, terwyl ik nog geen vast Beroep weer kreeg [12], neerstig waargenomen heb, .... tot verheffing van myne Natie, tot luister der Ed. Maatschappy van het Oosten, en by een zeker gevolg hier uit, ook tot eere van Dordrecht aan te leggen, alzoo (voegt V. niet zonder ijdelheid toe) ’t voor die Stadt geen oneere is inboorlingen te hebben, die dat klein en als uit de modder opgerezen Nederland zoo sterk en zoo kragtig in zynen helderen dag weten te zetten". Hier drukt V. zoo juist uit het doel waarmee hij schreef. Niet dus om den wille der wetenschap in de eerste plaats, maar tot verheffing van Nederland, tot verheerlijking van de Oost-Indische Compagnie.

Toen Valentijn aan zijn boek begon, was hij zich niet bewust dat het zoo grooten omvang zou krijgen. Wel beschikte hij al dadelijk over een schat van gegevens, vrucht van eigen studie, verzamelen en waarnemen, belangrijk vermeerderd met aanteekeningen van anderen, o.a. van den beroemden Rumphius, wiens handschriften hij geheel verwerkte [13], maar een goed deel der stof zou hem gedurende de bewerking pas toevloeien. Immers hij verkreeg (zie toch zijn "Voorbericht aan den bescheiden Lezer", III, [14] "verscheide zeer nette en egte Papieren" over Malabar, Bengalen, Koromandel en de Kaap van M. en E. van den Broucke en W.A. en S. van der Stel; C. Beernink verschafte hem "met een zonderlinge genegenheid" de gegevens over Makasser; niet minder waren hem van dienst de nota’s, kaarten en teekeningen van M. van Weert, S. Schynvoet, D. Bernard, A. van der Duyn, J. van Steeland e.a., voor ’t meerendeel autoriteiten, "die niet alleen veele jaren in Oostindien doorgebragt, maar daar ook .... de voornaamste Landvoogdyen en Directien der Ed. Maatschappy bestierd [hadden]".

Al deze bronnen verwerkte Valentijn tot één, zij ’t ook niet aaneengeschakeld, geheel, dat in 5 deelen, 8 statige folianten vormend, in de jaren 1724-26, te Dordrecht en Amsterdam, bij J. van Braam en G. onder de Linden, het licht zag onder den titel: "Oud en Nieuw Oost-Indien, vervattende een naaukeurige en uitvoerige Verhandelinge van Nederlands Mogentheyd in die gewesten, enz. Met meer dan thien honderd en vyftig Prentverbeeldingen verrykt. Alles zeer naaukeurig ...., en met veele zeer nette daartoe vereyschte kaarten opgeheldert door François Valentyn, onlangs Bedienaar des Goddelyken Woords in Ambon, Banda, enz."

Deel 1 met het fraaie portret van Valentijn op 58-jarigen leeftijd, bevat een geleerde verhandeling, naar den trant des tijds, als inleiding en vervolgens een beschrijving der Molukken: Ternate, Tidore, Batjan, enz.; deel II, en III, 1 de beschrijving van "de Landvoogdye" Amboina (Ceram, Boeroe, Ambon, enz.). III, 2 handelt over Banda, Timor, Solor, Celebes, Borneo en Bali; voorts over Tonkin, Cambodja en Siam. IV, 1 beschrijft Java, door V. nog ouderwetsch "Groot-Java" genoemd, Batavia, Bantam, en de levens der Gouverneurs-Generaal (met portretten) [14]. IV, 2 behelst het slot van Java en eene beschrijving van Suratte; voorts de levens der Groot- Mogols, China, Formosa, en Valentijn’s "Uyt- en T’huys-reyze". V, 1 handelt over Koromandel, Perzië, Malakka, Sumatra, en Ceylon. En V. 2 over de Kust van Malabar, Japan, de Kaap de Goede Hoop, en Mauritius.

Wanneer men bovenstaande beknopte inhoudsopgaaf overziet, blijkt uit de volgorde der behandeling (bijv. Sumatra is verzeild tusschen Malakka en Ceylon), dat Valentijn nauwelijks naar een vast plan gewerkt heeft; wat hij in handen kreeg was hem winste en van een systematische beschrijving is bij hem geen sprake. De allereerste 316 fol. bladzijden, de inleiding, "is een opstel [om] te toonen dat die Nazaaten der Oude Bataviers van hunne Voorvaders niet ontaard zyn" (I, Voorrede). Verder vult Valentijn met Amboina alleen anderhalf deel, en kan men dan ook zeggen, dat hij, met den deugdelijken Rumphius als waardevolle bron, zijn onderwerp hier geheel uitput. Over het reeds in zijn tijd voor de Comp. zoo belangrijke Java blijven zijne mcdedeelingen zeer onvoldoende en oppervlakkig [15]: alleen het topographische wordt vrij uitvoerig behandeld, en in het verhaal over wat hij als veldprediker ondervond, staan hier en daar aardige inlandsche bijzonderheden.

Met Sumatra echter heeft hij in 46 blz. afgerekend; en aan geheel Borneo wijdt hij nog niet ten volle 17 blz.! Maar behalve dit grof gebrek in verhoudingen, toont V.’s werk het algemeen kenmerk van zijn tijd: de kennis der bewoners van de verschillende eilandgroepen wordt geheel als bijzaak beschouwd; een duidelijk geographisch overzicht van den Ind. Archipel [16] ontbreekt; in hoofdzaak zijn V.’s beschrijvingen gewijd aan de Europeanen en meer in ’t bijzonder de Nederlanders, en den handel van de landen der Compagnie. Terwijl Valentijn honderden folio-blz. vult met betrekkelijke kleinigheden (extracten uit notulen der Kerkeraden bijv.), weet hij (om een sterke tegenstelling te nemen) van het wezen der Javanen slechts dit te vertellen: "De mans zyn doorgaans moorddadige, trouwlooze, en wrede menschen, .... die iemand om een schelling twee of drie, zonder ónderscheit, zouden doodslaan, daar het anders de bloodste en lafhartigste guilen zyn, die den aardbodem draagt" (IV, 1, fol. 53-54). Van hun vrouwen heet het: "Alle .... hebben een zeer grooten verwarden bos hair .... op haar hoofd staan .... Ook geeft het een groot afzien by ons .... dat zy van hare bobori-smeerzels dik en vet bemorst zyn .... zoo zien zy 'er .... veeltyts uit, dat men haar met geen tang aantasten zou" (ib., fol. 54).

Bij Sumatra zegt V.: "Het is niet noodig, dat wy de inwoonders .... beschryven, aangezien zy .... van de Javanen zeer weinig verschillen, uitgenomen dat zy my zoo uitstekend van kaaken, en zoo groot van oogen niet voorkomen". (V, 1, 2e St. fol. 3).

Valentijn’s groote verdiensten als schrijver, als encyclopaedist liggen dus elders. En wel op het veelomvattend gebied der historie in de eerste plaats. De vestiging en uitbreiding van het Nederlandsche gezag, met zijn nasleep van politieke verwikkelingen, oorlogen, contracten, is door hem beschreven met een volledigheid, waarin hij pas in de 19e eeuw overtroffen werd door schrijvers die uit archief-stukken konden putten. Valentijn mag met recht dus onze oudste koloniale geschiedschrijver heeten.

Nog meer nauwkeurig is V. in zijn - zooals hij met voorliefde zegt - "Zaaken van den Godsdienst", waarmede hij, hier ook absoluut vertrouwbare, bouwstoffen leverde voor de geschiedenis der Hervormde Kerk in Indië.

Verdienstelijk zijn verder zijn persoonsbeschrijvingen, die een begrip geven van de eigenaardige toestanden in Indië op het laatst der 17e en ’t begin der 18e eeuw; al is het waar dat men V.’s oordeelvellingen, partijdig als ze zijn, vaak slechts onder voorbehoud kan aanvaarden.

Werkelijk goed en duidelijk is Valentijn in zijn plaatsbeschrijvingen (Ambon, Batavia bijv.), waardoor veel aan de vergetelheid is ontrukt dat anders onherroepelijk verloren zou zijn. Doch niet minder belangrijk zijn de talrijke platen, portretten, kaarten en plattegronden die Valentijn’s werk maken tot één groote geïllustreerde Encyclopaedie over gansch Nederlandsch-India van toenmaals.

Met dit al drukt op de wetenschappelijke beteekenis van Valentijn zijn kleingeestigheid, zijn breedsprakigheid, zijn "wauwelzucht". De belangrijke feiten liggen als ’t ware begraven tusschen breed uitgemeten, onbeteekenende vertoogen, die in veel gevallen nog op den eigen persoon van Valentijn betrekking hebben.

Toch is het ook waar, dat V.’s verhalende, haast pratende schrijftrant eene eigenaardige bekoring bezit in zijn ouderwetsch-Hollandsche taal, een bekoring, die Busken Huet het mooist in echt waardeerende woorden uitgesproken heeft.

Het ligt voor de hand dat het Valentijn niet aan bewonderaars heeft ontbroken; evenzeer, dat de critiek hem, om zijn minder goede eigenschappen, niet heeft gespaard [17], De aan het slot gegeven bibliographie bevat de noodige bronnen ten bewijze. Om te weten in welke mate de meeningen over Valentijn’s verdiensten uiteenloopen, vergelijke men slechts hoe Van Hoëvell in 1839 hem groot noemt en zegt dat hij "misschien den eersten rang in de wetenschappelijke wereld dezer [Indische] landen bekleedt", terwijl Prof, Veth, die in den "Gids" (1867, II, blz. 228) reeds sprak van "den wawelenden toon en de platheden van Valentijn", in de Voorrede van zijn "Java" met opzet vermijdt hem te noemen onder de vroegere schrijvers over Java!

De oorspronkelijke "Valentijn" werd, in zijn geheel, nimmer herdrukt; daartoe werkte zeker mede de groote oplaag, daar het hoek niet minder dan ruim 500 inteekenaars telde [18].

In dit verhand is ’t niet onaardig op te merken dat V.’s uitgevers zich verbonden (Boekzael 1722, II, blz. 804) "dit Werk direct nog indirect, noit weder te zullen drukken, op een boete van drie duizend guldens ieder". Ook aan hun Erven of latere koopers van hun fonds verboden zij dat. Toch werd V.’s Verhandeling der "Zee-horenkens en zee-gewasschen" (III, 2), vermeerderd met zijn portret, als een "Vervolg van de Amboinsche Rariteitkamer van G.E. Rumphius" in 1754 bij J. van Keulen te Amsterdam opnieuw uitgegeven; en bovendien in het Duitsch vertaald door Ph.L. Statius Muller (Weenen, 1773).

Aan den in 1824 door Collot d’Escury uitgedrukten wensch (Holland’s roem, enz. I, blz. 15 der Aanteekeningen) "om het wezenlijke uit Valentijn te trekken, en het over te gieten in den stijl en vorm van onzen tijd", is evenwel later, gedeeltelijk ten minste, uitvoering gegeven. In 1856-58 verscheen toch te ’s Gravenhage: "François Valentijn’s Oud en Nieuw Oost-Indien. Met aanteekeningen, enz. uitgegeven door Dr. S. Keyzer", 3 dln. 8°. (zonder platen of kaarten). Deze titel kan voor die drie deelen moeielijk gelden, want het tweede gedeelte, dat de landen buiten onze tegenwoordige Oost zou bevatten, is nimmer verschenen, en ook het doel van Prof. Keyzer, die zijne uitgave (zie zijn voorrede) beschouwd wilde zien als in hoofdzaak een legger voor onze ambtenaren, met name in de Buitenbezittingen, werd allerminst bereikt; de beschrijving van Sumatra is b.v. in het geheel niet opgenomen! Desniettegenstaande werd Prof. K.’s halve uitgaaf nogmaals gedrukt in 1862 te Amsterdam [19].

Valentijn’s schilderachtige, in alle opzichten gelukkig geslaagde beschrijving zijner beide uit- en thuisreizen, vond in de uitgaaf van Prof. K. evenmin een plaats; doch deze werd, voorafgegaan door Busken Huet’s "litterarische fantasie" van 1879, in 1882 opnieuw uitgegeven door A.W. Stelhvagen, ’s-Gravenhage, 8°, in - zooals hij in zijne voorrede verduidelijkt - hedendaagsche spelling, doch met overigens onveranderden tekst [20].

Valentijn’s naam werd nogmaals tot eere gebracht door Mr. Serrurier, op wiens voorstel de Mij. ter bev. v.h. Natuurk. Onderzoek der Ned. Koloniën in 1891 besloot eene Valentijn-medaille in te stellen tot "het aanmoedigen van oorspronkelijke wetenschappelijke studiën in de koloniën".

De vraag rijst echter, of men daarmede wel verstandig heeft gedaan. Immers Valentijn’s verdiensten schuilen minder in oorspronkelijkheid, dan wel in compilatie!

Hij is en blijft echter onze eerste Indische Encyclopaedist, wiens hoop "tot eere van [zijn] kinderen, en mede-inboorlingen, nog lang, en niet ongeagt, na [zijn] dood te leven" (I, Voorrede), ruimschoots, en met goed recht verwezenlijkt is geworden.

Voor de kennis van Valentijn’s leven, en de meer intieme geschiedenis van het ontstaan van zijn groote werk, valt echter nog alles te doen. Bepaalde nadere studie daarvan, op grond van archiefbescheiden, kerkelijke en niet-kerkelijke, heeft nog niemand gemaakt; ook niet Van Troostenburg de Bruijn. Wat is er b.v. in Banda gebeurd bij Gouverneur W. van Zijll, den vriend van Henrik Leydekker, en beschermheer van Valentijn en diens broeder Joannes? Is Joannes vergiftigd door "Pa [of Pay] Cornelis", vrijgelaten slaaf en hofmeester van Van Zijll, omdat deze laatste, die op 20 Oct. 1689 ook al vrijwel plotseling stierf, François en Joannes Valentijn "rykelyk" in zijn testament had willen bedenken? Men zie Valentijn’s insinuaties in die richting, IV, 2, 2e Stuk, fol. 116-118.

Hoe, voorts, is de ware geschiedenis met de Rumphius-hss. geweest? En wat vooral ook, heeft er in die "twee van [Valentijn’s] beste kisten" gezeten, die op last van Heeren Zeventienen bij zijn tweede thuiskomst in 1714 werden aangehouden, en, ondanks Valentijn’s persoonlijk pleidooi in een volgende Vergadering dier Heeren, nooit teruggegeven werden? Men zie hierover III, I, 1e Stuk, fol. 104, waar V. de schuld schuift "op ’t zeer liefdeloos schryven van dien Heer opper-Landvoogd van Riebeck" aan HH. XVII. Maar wat zat er dan in die twee kisten? Regeerings-bescheiden? En zoo blijven er nog tal van onbeantwoorde vragen omtrent Valentijn’s leven en Valentijn’s werk.

Zelfs de uitgever der hieronder nader genoemde Boekzael, en die tevens mede-uitgever was van Valentijn’s standaard-werk, maakte in de Nekrologie die hij in 1727 aan hem wijdde, zeer zonderlinge fouten omtrent zijn kinderen, gelijk straks al even bleek. En toch is dit stuk tot heden nog haast de beste bron voor de kennis van Valentijn’s leven en schriftelijke nalatenschap.

Bibliographie:
- "Boekzael der Geleerde Werelt", t’Amsteldam, 1727, II, bl. 613-620; - G.H. Werndly: Maleische Spraakkunst, enz. Amsterdam 1736, bl. 240-247; - Van Hoëvell: Tijdschr. v. Ned.-Indië, 1839, II, bl. 31-36; - Cd. Busken Huet: Litterarische fanlasiën en kritieken, dl. XI [1879], bl. 3-36; - Van Troostenburg de Bruyn: De Hervormde Kerk in Ned.-Indië, Arnhem 1884, passim; - Dez.: Biographisch Woordenboek van O.-I. predikanten, Nijmegen 1893, i.v.; - S. Kalff: François Valentijn, Indische Gids, 1900, II, bl. men wel eenig wantrouwen in dien "onveranderden tekst". 907-939; - Rumphius-Gedenkboek, Amsterdam 1902, in ’t bijzonder de bijdrage van Dr. F. de Haan: Rumphius en Valentijn als geschiedschrijvers van Ambon, bl. 1 7-25, en verg. bl. 193-194, alwaar ook melding wordt gemaakt van een te Rotterdam berustend hs. met oorspronkelijke teekeningen van visschen voor V.’s groote werk.

(W.C. Muller; en G.P. Rouffaer)

Eindnoten:

  1. De aanhalingen uit Valentijn's nader te behandelen "Oud en Nieuw Oost-Indien" zullen kortheidshalve steeds op wijze geschieden: III, 1, III, 2, enz., en duiden de 1e of 2e Gedeelten van het IIIe deel, enz. aan.
  2. Deze Leydekker verloor toch bij een brand op Ambon den 19en Febr. 1687 wel 16000 à; 18000 Rijksdaalders (IV, 2, 2e Stuk, fol. 112); en bezocht met vrouw en kinderen in April 1688 "met syn eigen vaartuig, of Chaloep" (ib., fol. 117) Valentijn op Banda.
  3. De mededeeling in de "Boekzael" van 1727, II, blz. 616 dat V. in Holland bij zijne huisvrouw nog 4 kinderen verkreeg, en met deze, benevens zijn vrouw en het in Indië geboren dochtertje Maria de reis ondernam, moet op eene vergissing berusten, en een verwarring zijn met Valentijn's stiefkinderen.
  4. Aldus dateert de "Voorreden" van zijn dl. I uit Dordrecht, 24 Aug. 1724; maar het Voorbericht voor dl. III, 1 uit 's Gravenhage, 31 Mei 1726.
  5. Opmerkelijk is het dat Valentijn geen familie-verwantschap vermeldt met twee naamgenooten: Jacobus Valentijn, met wine hij op hetzelfde schip zijn tweede reis naar Indië maakte, en die in 1710 Fiscaal op Banda was; en Rutger Valentijn, in 1701 "Soldye-Boekhouder" adaar, welke laatste in 1707 is afgezet. Het gelukte niet hierin onzerzijds licht te verschaffen.
  6. Vermoedelijk is deze M. Leydekker wel familie van de Ambonsche naamgenooten; Valentijn vermeldt dat echter niet, terwijl ook hierin onzerzijds geen licht kon worden verschaft.
  7. Een ex. van dit boekje (124 pp.) berust in de Univ.-Bibl. te Leiden. De breedsprakigheid van den titel: "Deure der Waarhyd voor ’t ooge der Christen-wereld geopend, waar door klaar te sien is, wat Tale voor alle Malytse Christenen in Oost-Indien, van gebruik, en alleen van dienst zy. Of een klaar, en net bewijs, dat, dewijl alleen de Lage, of Gemeene, Malijtse Taal by ben verstaanbaar, en de Hooge by hen t’ eenemaal onverstaanbaar [!!], is, derhalven, .... enz. enz.", - geeft een goed begrip van den breedsprakigen en kwasi-geleerden inhoud. Dit "net" bewijs - "net" is een lievelingswoord van Valentijn - is natuurlijk in hoofdzaak terug te vinden in V.’s groote werk.
  8. Zie als voorbeeld uit vele: IV, 2, fol. 89. Vooral het zwagerschap van Van Riebeek, die in 1709 Gouv.-Gen. werd, met M. Leydekker, zat Valentijn ook naar zijn eigen opvatting het meest in den weg.
  9. Zie diens Mal. Spraakkunst, blz. 241. Werndly, als aanhanger van Melchior Leydekker, was blijkbaar op Valentijn zeer gebeten.
  10. Overleden ten huize van Valentijn, op 25 Juni 1687 (III, 1, fol. 79)!
  11. Verg. Troostenburg de Bruijn, Biogr. Wdb., 1893, bl. 438, die met hinderlijke schrijffout haar daar "Cecilia" noemt (r. 4 v.b.). Ook is er niet de minste twijfel dat dit V.'s vrouw, Cornelia, en niemand anders is. - Het originele ms. van dezen brief berust in de Univ.-Bibl. te Leiden, als No. 1625.
  12. Dit heeft blijkbaar betrekking op Valentijn's ambteloos leven in Nederland na 1714.
  13. Nl. Rumphius’ nimmer uitgegeven Amb. Landbeschrijving, Amb. Historie, en Amb. "Dierboek"; zelfs R.’s Kruid-boek, dat eerst na 1740 het licht zou zien, resumeerde V.!
  14. Op één portret moet daarbij afzonderlijk de aandacht gevestigd. Valentijn zegt bij de beschrijving van G.-G. de Haan (fol. 351), dat hij thans diens portret niet kan geven, doch stellig later hoopt het te kunnen doen, waarom hij alvast een rijmpje op zijn afbeeldsel maakt. Nadat het geheele werk was afgedrukt, was dit portret, blijkens de generale inhoudsopgaaf achter in Dl. V, 2, nog niet verschenen. In de Boekzaal van 1727 echter (II, 728) deelen de uitgevers van "Valentijn" mede, dat de Haan zijn "afbeeldtsel naer het Vaderlant heeft gelieven over te zenden", en dat de inteekenaars het "Portrait .... gratis, en tot een toegift .... konnen bekomen".
    In een werkelijk volledig ex. van Valentijn mag dus dit portret niet ontbreken.
  15. De beschrijving van Batavia's grondvesting (IV, 1, fol. 421-491) is, zooals V. zelf verklaart (fol. 420), bovendien niet van hem; doch was in 1667 reeds door den toenmaligen "eersten Klerk" en lateren G.-G. Joannes Camphuis opgesteld.
  16. De buiten onze tegenwoordige Oost door V. beschreven landen, blijven hier buiten bespreking.
  17. Toch is die critiek niet in alle opzichten rechtvaardig, wanneer men V. o.a. ten laste legt dat hij Rumphius’ kostelijke handschriften (die hem, wegens zijn familie-verwantscliap, zoo gemakkelijk in handen konden komen), steeds heeft gebruikt met stelselmatige verzwijging van zijn bron.
  18. Wel is waar noemt V. zijn "Boezem-vriend" (III, 1, fol. 348) niet openlijk in de Voorrede van dl. I of III, doch in dl. II, 1, fol. 32, verscholen als ’t ware tusschen den tekst, zegt hij toch bij de beschrijving van ’t eiland Manipa: "Eindelijk voegen wy hier een zeer net Kaartje .... by, ’tgeen de vermaarde Heer .... Rumphius (Een Man, van wiens nette aanteekeningen over dit land van Amboina, wy ons veel bedienen) .... wonderiyk fray [heeft] afgeteekent". Op deze erkenning van Valentijn werd reeds door ons de aandacht gevestigd in het Rumphius-Gedenkboek, 1902, bl. 193.
  19. Een vergissing begaat dus Kalff (Ind. Gids, 1900, II, blz. 936) waar hij meent dat een herdruk noodig was, nadat 2200 exx. waren verkocht; dit getal en die herdruk hebben betrekking op het "Plan" of Prospectus van V.'s werk. Kalff ontleende zijne mededeeling aan den "Navorscher, VI, 1856, bl. 193 (lees aldus voor: V), doch zie juister de Boekzael van 1723, I, blz. 103.
  20. Een uitvoerige, lang niet malsche critiek over deze gebrekkige uitgaaf werd gegeven door W.Q. [= Jhr. Mr. J.K.W. Quarles van Ufford] in Algem. Konst- en Letterbode, 1855, blz. 248, en 1858, 139.
  21. Wanneer men echter bij St. leest (blz. 63), dat Valentijn, zooeven op Batavia geland, "baar" als hij is, meent iemand sterk te zien bloeden bij het eten van "pisang", in plaats van "pinang", zooals V. terecht schreef, krijgt men wel eenig wantrouwen in dien "onveranderden tekst".

bron: Encyclopaedie van Nederlandsch-Indië (1896-1905), dl. 4, pp. 493-498.