Adriaan Valckenier

Geb. 6 Juni 1695 te Amsterdam, uit het huwelijk van Mr. P.R. Valckenier, bewindhebber der O.-I. Comp. te Amsterdam en E.S. Pellicorne.

Hij vertrok 22 Oct. 1714 als onderkoopman naar Indië en kwam 21 Juni 1715 te Batavia aan; werd in 1726 bevorderd tot koopman en opperkoopman; in 1727 tot boekhouder-generaal van N.-I.; in 1730, '33 en '36 tot Raad extra-ordinair, Raad ordinair en Eerste Raad en directeur-generaal; werd eindelijk door den R. v. I. tot Gouv.-Generaal verkozen en trad als zoodanig den 3en Mei 1737 op.

Het was tijdens zijn bestuur dat de beruchte moord op de Chineezen te Batavia plaats vond, waartoe het volgende aanleiding gaf: Nadat door maatregelen van G.G. Zwaardecroon een stroom van Chineezen naar Batavia gelokt was, voor wie, zooals achteraf bleek, geen middelen van bestaan in voldoende mate aanwezig waren, zag men zich langzamerhand gedwongen dien stroom te keeren en zich van de overtollige elementen te ontdoen. Zoo werd o.a. in 1732 besloten alle Chin. zwervers op te pakken en in de ketting naar de Kaap de Goede Hoop te zenden, en op 25 Juli 1740, die zwervers, ook al waren zij voorzien van permissie-briefjes (welke hun waren uitgereikt tegen betaling van 2 Rijksdaalders) "in de boeijen te slaan en te doen examineeren". Deze en dergelijke besluiten van de H. Reg. in Indië gaven aan den haat der Chineezen tegen de Hollanders nieuw voedsel, met gevolg dat in Sept. 1740 de Chineezen in de omstreken van Batavia in formeelen opstand geraakten.

In den nacht van 8 op 9 Oct. beproefden zij op verschillende punten der stad een aanval, welke echter werd afgeslagen. Hoewel de Chineezen binnen de stad zich rustig hielden, was de positie der Hollanders aldaar zeer hachelijk en vreesde men het ergste. Een voorstel van G.-G. Valckenier om de "stad van de Chineezen te ruimen" werd door den R. v. I. verworpen, doch bepaald werd dat alle huizen der Chin. zouden worden onderzocht om alleen tegen de kwaadwilligen de gewenschte maatregelen te nemen.

Nauwelijks was dit besluit der Reg. bekend of het "onderzoeken" nam een aanvang, d.w.z. er werd een bloedbad aangericht dat volle 2 dagen (9 en 10 Oct.) duurde en waarbij meer dan 10.000 Chineezen, mannen, vrouwen en kinderen, het leven lieten, terwijl het plunderen, rooven en brandstichten nog verscheidene dagen aanhield. De Regeering nam intusschen volstrekt geen maatregelen om het moorden te verhinderen, doch terwijl nu verschillende geschiedschrijvers, waaronder vooral Van Hoëvell ("Batavia in 1740" in Tijdschr. v, N.-I. 3e jaarg. 1840, dl. I, blz. 447 vgg.) de schuld geheel op Valckenier werpen, zelfs beweren dat de moord op zijn geheimen last geschiedde, komt De Jonge (Opkomst, dl. 9, 1877, blz. XLtr vgg.), in zijn onpartijdige, geheel op archief-studie bewerkte uiteenzettingen, tot gevolgtrekkingen, die ongetwijfeld de zaak in een juister daglicht stellen. Desniettemin werpt deze schanddaad een onuitwischbare vlek op het bestuur van den hardvochtigen, onmeedoogenden Valckenier.

Maar ook in andere opzichten heeft zijn beheer zich ongunstig gekenmerkt; we bedoelen zijn voortdurende twisten met leden van den R. v. I., welke ten slotte tot een uitbarsting kwamen.

Den 6en Dec. 1740 nl. verscheen V., hersteld van eene ziekte (van welke ziekte de Raad gebruik had gemaakt om zich meer en meer gezag aan te matigen) ter vergadering, gevolgd door een detachement soldaten, dat zich in een kring om den H.R. schaarde. Een hoogloopende twist deed V. besluiten de leden van den Raad Van Imhoff, Van Schinne en Haze te arresteeren en door de gewapende macht te doen wegvoeren. Den 10en Jan. I741 werden deze leden in voortdurend militair arrest, ieder op een afzonderlijk schip, door V. naar Nederland opgezonden en bleef hij, voor loopig althans, meester van het hem zoo lang betwiste terrein.

Inmiddels was aan V. door de HH. XVII, op zijn reeds in 1838 gedane aanvraag, den 2en Dec. 1740 eervol ontslag verleend en vertrok hij den 6en Nov. 1741 als admiraal der retourvloot naar Nederland.

25 Jan. 1742 aan de Kaap aangekomen, werd hij evenwel op last der HH. XVII aldaar gearresteerd, naar Batavia teruggevoerd en toen hij 12 Aug. 1742 daar aankwam op het kasteel te Batavia gevangen gezet. Verschrikkelijk zwaar heeft V. voor zijne willekeurige handelingen moeten boeten. Zijn grootste tegenstander, Van Imhoff, was bij zijn komst in Nederland onmiddellijk in eer hersteld, zijn arrest en opzending werden verklaard "te wezen informeel, nul, krachteloos en van geener waarde", ja zelfs werd hij tot Valckenier’s opvolger benoemd. En bovendien werd het tegen V. ingesteld strafgeding zoo langzaam gevoerd, dat dit bij diens dood nog niet ten einde was gekomen.

Valckenier overleed den 20en Juni 1751 in de gevangenis, waar hij dus bijna 10 jaren doorgebracht had. Hij werd te Batavia zonder eenige plechtigheid begraven.

Zie nog: A.W. Stellwagen, Valckenier en Van Imhoff, Elzevier’s Maandschrift, Febr. 1895.

bron: Encyclopaedie van Nederlandsch-Indië (1896-1905), dl. 4, pp. 492-493.