Padangsche Benedenlanden (residentie)

Deze zijn verdeeld in 4 afdeelingen:

  1. Padang,
  2. Ajer Bangis,
  3. Priaman en
  4. Painan.

De afdeeling Padang, hoofdplaats Padang, bestaat uit 2 onderafdeelingen:

  1. hoofdplaats Padang,
  2. de Ommelanden van Padang, bestaande uit de districten Pau V, Pau IX, Nanggalo, Kota Tengah, Boengoes, Loeboe Kilangan, Limau manis en Kasang en de Mentawei-eilanden.

De afdeeling Ajer Bangis, hoofdplaats Ajer Bangis, is verdeeld in 2 onderafdeelingen:

  1. Ajer Bangis met 4 larassen: Ajer Bangis, Si Kabau, Oedjoeng Gading en Si Kilang en de negorij Batahan;
  2. de Batoe-eilanden.

De afdeeling Priaman, hoofdplaats Priaman, is verdeeld in 3 onderafdeelingen:

  1. Priaman, met 6 larassen: Priaman, Mangoeng, V Kota, Piloebang, Oelakan en VII Kota;
  2. Loeboe Basong en Tikoe met 3 larassen: Loeboe Basong, Tikoe en de XII Kota en 3 negorijen: Si Tanang, Batoe Kambing en Si Talang (III Loewak); en
  3. Kajoetanam met 1 laras: VI Lingkoeng en 10 negorijen: Goegoe, Kajoetanam, Andoering, Si Pisang, Kepala Hilalang, Si Tjintjin, Sintoek, Loeboe Along, Tobo Gadang en Poenggoeng Kassik (de negorijen Andoering en Si Pisang staan onder één hoofd).

De afdeeling Painan, hoofdplaats Painan, is verdeeld in 3 onderafdeelingen:

  1. Painan, met 3 districten en 1 laras: Painan, Batang Kapas, Bajang Poeloet Poeloet en Troesan;
  2. Ajir Adji met 1 district: Ajir Adji en verdeeld in 7 negorijen: Amping Parak, Kambang, Lakitan, Plangei, Soengei Toenoe, Poenggasan en Ajer Adji;
  3. Indrapoera met 1 regentschap Indrapoera, bestaande uit 4 landschappen: Indrapoera, Tapan, Loenang en Si Laoet.

Van de Zuidelijke grens dezer residentie, de Soengei Mendjoeto die haar van Benkoelen scheidt, tot aan de Ophir in Ajer Bangis, vormt zij een lange smalle strook lands, in administratieven zin door het Barisan-gebergte - dus niet door de hoofdwaterscheiding: het Middengebergte - van de Bovenlanden gescheiden; voorbij de Ophir wijkt het gebergte terug en vormt het Pasamandal, hel stroomgebied der rivier van dien naam. De ligging der bergen ten opzichte van de kust, nl. op korten afstand daarmede evenwijdig, bepaalt in hoofdtrekken den horizontalen vorm der Beneden-landen. Die geringe afstand van het gebergte tol de kust maakt de vorming van belangrijke rivieren onmogelijk. De ligging van Sumatra ten opzichte van de hoofdrichting der winden, welke in het N. en Z. deel heerschen, de aanzienlijke hoogte van het Barisan-gebergte en de geringe afstand der kruin tot de zee, onttrekken de kust aan de werking van krachtige winden; eigenlijke stormen zijn hier onbekend; de gevreesde orkanen van de Indische Zee worden hier nooit waargenomen; slechts nu en dan - voornamelijk van Juli tot Sept. - waaien krachtige N.W. winden, meest van lokalen aard en korten duur.

Afdeeling Ajer Bangis

Ajer Bangis is de Noordelijkste afdeeling van de Padangsche Benedenlanden. Op de grens met Tapanoeli steekt Tandjong Toea, het uiteinde van een bergrug, in zee. Ten Zuiden daarvan de Baai van Ajer Bangis, door alleenstaande bergen, tot bijna 500 meter, omgeven, open aan den Zuid- en Zuidwestkant en gedekt door de eilandjes Tello, Tamian, Pangkal en Pagaga. Aan de baai ligt de hoofdplaats Ajer Bangis met een veilige schuilplaats voor schepen achter het eiland Pandjang, 4 Eng. mijlen uit de kust. De plaats, tegen koepelvormige granietbergen en aan eene rivier gelegen, die nogmaals denzelfden naam voert en 10 a 12 zeemijlen voor prauwen bevaarbaar is, is de zetel van een controleur en 't verblijf van een kleine bezetting; de groote weg verbindt Ajer Bangis door het Pasamandal, tusschen den Malintang en den Ophir, over Taloe met het lengtedal van de Soempoer en verder met den hoofdweg van het bergland. De afdeeling is dun bevolkt en landbouw is voornamelijk het bedrijf der bewoners.

Afdeeling Priaman

Priaman ligt ten Zuiden van de afdeeling Ajer Bangis, strekt zich uit van Tandjong Masang, een uitstulping van de kustlijn, in het Noorden tot aan de Anei-rivier (zie Dl. 1, bl. 34) in het Zuiden; en in het binnenland tot aan de bergen Singgalang en Ambatjang. Priaman, de hoofdplaats der afdeeling, ligt boven den mond der gelijknamige rivier, heeft een veilige ankerplaats, door eenige eilandjes gedekt en is de standplaats van een assistent-resident; een controleur zetelt te Loeboe Basoeng. Van Tikoc, eveneens eene goede haven, loopt een groote weg over Loeboe Basoeng naar Manindjoe en vandaar naar Fort de Koek; van Priaman gaat een kustweg naar Padang en, over Kajoe Tanam, een weg naar Padang Pandjang. Priaman is de eenige afdeeling van de Benedenlanden waar eenige industrie bestaat; er zijn schrijnwerkers, draaiers en timmerlieden, enkele goud- en zilversmeden en kopergieters.

Afdeeling Padang

De afdeeling Padang, de kleinste der vier afdeelingen van de Benedenlanden, zou tevens de onbelangrijkste zijn, indien zij niet tot hoofdplaats had de hoofdplaats van het Gouv. Sumatra's Westkust, Padang. De nagenoeg van Oost naar West gerichte Padang-rivier scheidt het terrein in twee topographisch zeer verschillende deelen; ten Noorden van die rivier een vlakke kustzoom, slechts plaatselijk verbroken door enkele geheel op zichzelf staande uitloopers van het gebergte en Noordwaarts begrensd door den vooruitgeschoven voet van den tweelingsberg Singgalang-Tendiké. Daarentegen rijst de linker dalwand van de Padang-rivier steil omhoog, als eerste rug van een woest terrein, dat, met het hoofdgebergte samenhangend, tot aan de zee reikt en eerst bezuiden Troesan ruimte voor een strand overlaat. De bronnen van de beide hoofdtakken van de Padang-rivier liggen op het rechter grensgebergte der Lolo Gedang, dat nabij de bronnen dier rivier tegen de hoofdketen leunt en zich in Z. richting tot 1480 meter boven de zee verheft. De Noordelijkste tak, de Ajer Padang Arau, ontspringt nabij den zadel van Tindjoe laoet; de andere de Ajer Padang Idal, heeft hare bronnen op het hoogste gedeelte van het secundair gebergte, tegenover den oorsprong der Si Goentoer. Terwijl de secundaire bergrug Zuidwaarts gericht is, verkrijgt het linker grensgebergte der Padang-rivier een meer Westelijke richting en daalt langzamerhand af naar de Noordzijde van de Koninginnebaai. De voet van het zeer steile gebergte wordt in het bovengedeelte door de rivier bespoeld, maar verwijdert zich, zonder dat belangrijke nevenbeken worden opgenomen, meer benedenwaarts van de rivier. Zij bespoelt tegenover Padang den voet van een op zich zelf staande heuvelreeks, welke van den riviermond tot de Koninginnebaai steil uit zee oprijst en met een zadel van ongeveer 10 meter hoogte met het linker grensgebergte der Padang-rivier samenhangt. De rivier wordt aan de Noordzijde begrensd door zeer steile uitloopers van de hoofdketen, welke reeds op enkele kilometers van de kust in de vlakte overgaan, zoodat de dalbodem daar één wordt met de ten Noorden der hoofdplaats Padang gelegen vlakte.

Padang heeft door een weg, al spoedig een rijpad, gemeenschap met de Zuidelijke afdeeling Painan, en door twee wegen met de Bovenlanden, een over Kajoe Tanam naar Padang Pandjang, de eenige die voor voertuigen bruikbaar is, en de andere, de zoogenaamde nieuwe weg, naar Solok, die van Loeboe Prakoe tot Tindjoe laoet niet veel meer dan een bergpad is, dat zigzagsgewijze langs den dalwand stijgt.

Afdeeling Painan

Painan is de Zuidelijkste afdeeling van de residentie Padangsche Benedenlanden en tevens van het Gouv. Sumatra's Westkust. De afdeeling strekt zich uit van de grens der Ommelanden van Padang ten N. tot aan de noordelijke grens van de res. Benkoelen ten Z., van de kam van het centraal gebergte van Sumatra, tusschen bovengenoemde grenzen ten O. tot aan den Ind. Oceaan ten W. Tot de afdeeling behooren een groot aantal dicht langs de kust gelegen eilanden, waarvan de voornaamsten zijn: Poelau Njamoek, waarop een baken is gebouwd, dienende tot verkenningspunt voor de schepen, die van Padang naar dc Zuid gaan, verder P. Bintangor, Merak, Babi, Aoer, Panjoe en Baringin. Deze eilanden, alleen van de Oostzijde te genaken van wege de felle branding op de overige kust, zijn onbewoond, doch geheel of gedeeltelijk beplant met klapperboomen. Slechts in den pluktijd van de klappers, en zooals op P. Panjoe, wanneer de schildpadden eieren leggen, worden zij tijdelijk bewoond.

Langs de geheele kust der afdeeling bestaat branding, en zelfs de gedeeltelijk gesloten baai van Painan, nabij de hoofdplaats, is daar niet vrij van. Alleen is de Troesanbaai, wel eens de schoonste baai van Sumatra genoemd, daarvan vrij. Deze is door eilanden geheel omsloten, en heeft twee voor groote schepen bevaarbare uitgangen. Alle vaartuigen kunnen daarin een veilige ankerplaats vinden. Twee stoombootjes van Padang hebben een wekelijkschen dienst naar Tjarotjok, aan de baai gelegen.

Het kustland is bij gedeelten vlak, telkens doorsneden door uitloopers van het niet ver van de kust zich verheffende hooge gebergte. Dit gebergte maakt de afdeeling tot een bergland, in het N.O. tot een bergland bij uitnemendheid. Eene uitzondering hierop maakt het Zuidelijk deel, ingenomen door het vroegere rijk van Indrapoera, dat nabij de zee vlak en moerassig, in het binnenland slechts heuvelachtig is, waardoor de Piek van Indrapoera als een schoone kegel uit het voorliggende land oprijst. Deze berg, ook bekend onder de namen Goenoeng Korintji, Goenoeng Gedang en Goenoeng Merapi, behoort deels tot Indrapoera en deels tot het gebied van Korintji. De rivieren hebben, met uitzondering van de rivier van Indrapoera, geen groote lengte en bijgevolg ook geen groot stroomgebied, maar zijn nabij de kust breed en diep genoeg, om door inlandsche handelsprauwen van 10 kojans en meer te worden bevaren. Hare mondingen leveren echter, wegens ondiepte en daarmede gepaard gaande hevige branding, groote gevaren op. De voor den handel bruikbare rivieren zijn, van het N. naar het Z. gaande: Batang Bahroe, Bajang, Batang Kapas, Siranti, Kambang, Palangai, Ajer Adji en Indrapoera, welke alle haar oorsprong in het Middengebergte nemen.

De afdeeling moet rijk zijn aan edele gesteenten. Voor goudwinning bestond reeds in den tijd van de O.-I. Comp. een mijn te Salida. Later had men er de Tambang Salida mijnbouw-maatschappij. Op verscheidene plaatsen zijn steenkolen gevonden. De grond is zeer vruchtbaar en de afdeeling rijk aan bosschen, die deugdzaam timmerhout en boschproducten leveren.

Het klimaat is gunstig, met uitzondering van dat van Indrapoera, waar het bovenmatig warm kan zijn. Koortsen en oogziekten zijn daar steeds heerschende, en het sterftecijfer der bevolking is daar het grootst. Syphilis, frambosiae, scabies komen overal veelvuldig voor.

De groote postweg doorsnijdt de geheele afdeeling van N. naar Z. en is tot Indrapoera, in den drogen tijd tot Tapan en Loenang, over eene lengte van ± 130 palen van 1½ kilometer, voor voertuigen geschikt. Het reizen langs dezen weg ondervindt belemmering door het groot aantal overvaarten. Voorts bestaan goede voor rijtuigen geschikte binnenwegen.

De kampong Painan is afdeelingshoofdplaats. De ass.-res. heeft het direct bestuur over de onderafdeeling Painan, bij tijden bijgestaan door een adspirant-controleur of een ambtenaar ter beschikking, terwijl de andere onderafdeelingen bestuurd worden door controleurs, die resp. hun standplaats hebben te Balai Selasa en Indrapoera. In Painan zijn 14 en in Ajer Adji 7 bezoldigde panghoeloe kapala. In Indrapoera is de regent het eenige bezoldigde hoofd.

De afdeeling, zoomede het Noordelijk deel van Benkoelen, zouden door Menangkabauers zijn gekoloniseerd. Deze zouden in Painan een wilden volkstam "Orang roepi" aangetroffen hebben, waarmede de kolonisten een hardnekkigen strijd hadden te voeren, en die zich volgens de traditie naar de bovenlanden van Palembang zou hebben teruggetrokken. Nu wonen er bovenlanders, benedenlanders, Benkoeleezen, Korintjiërs, Niassers, Javanen, Chineezen en Klingaleezen, ten getale van ± 100.000 zielen, bestaande voor de Chineezen alleen een wijk op de hoofdplaats.

Middelen van bestaan zijn: landbouw, veeteelt, vischvangst en handel. Indertijd heette Painan de voorraadschuur van padi van de geheele Benedenlanden. En door de groote vermeerdering van bevolking, èn door den aanvoer te Padang van rijst uit de Straits-Settlements is de uitvoer sterk verminderd. De veestapel is belangrijk, waarom ook groote uitvoer van karbouwen en runderen plaats vindt. Paarden worden daarentegen steeds ingevoerd, hoofdzakelijk voor den aanfok. De uitvoer van pluimvee, vooral naar Padang, is ook niet onbelangrijk. De bevolking aan de kust houdt zich veel bezig met de vischvangst, die een bron van inkomsten vertegenwoordigt. Nijverheidsartikelen zijn gering en beperken zich tot matwerk en aarden potten.

De handel is zeer levendig en geeft aan de scheepvaartbeweging langs de kust groote beteekenis. Onder de nog niet genoemde uitvoerartikelen behooren boschproducten, timmerhout en brandhout, notenmuskaat, foelie, klappers, copra, tabak, kapok, gedroogde en gezouten visch, goud en koffie van Korintji. De in de afdeeling geteelde koffie behoort tot de zoogenaamde Gouv. cultuur, zoodat het product aan de verplichte levering onderworpen is. Met het oog op de intevoeren hoofdelijke of inkomstenbelasting is in de laatste jaren veel Liberia-koffie geplant. De Gouv. koffiecultuur bepaalt zich overigens tot de negorij Poeloet-Poeloet, in het Noordoosten van de afdeeling, waar bodem en klimaat samenwerken om die cultuur in stand te houden. Overal elders werd zij wegens de geringe resultaten afgeschaft. Van de pepercultuur, waartoe de bevolking zich in het begin van deze eeuw verbonden had, is niets meer over. Feitelijk was zij reeds in 1856 opgeheven.

Van al de streken van Sumatra's Westkust is de kuststrook dezer afdeeling het langst in het bezit der Hollanders geweest (zie verder Indrapoera, Dl. II, bl. 89).

De Pad. Benedenlanden hebben eene oppervlakte van 322,1 vierk. geogr. mijlen. De bevolking is aldus samengesteld: Europeanen 1888, Chineezen 5566, Arabieren 197, andere vreemde oosterlingen 819, inlanders 319.984, totaal 328.454.

Over de vestiging van het Ned. gezag in de Benedenlanden is in het art. Padang reeds een en ander gezegd.

Oorspronkelijk maakte Atjeh aanspraak op een groot gedeelte van Sumatra's Westkust tot Bengkoelen of Silibar, maar de vorsten van Menangkabau betwistten aan Atjeh zijne rechten; van deze tweespalt maakte de Compagnie gebruik door bij monde van den commissaris Verspeet in 1666 de Menangkabausche hoofden als opperbestuurders van onze bondgenooten ter Westkust te doen erkennen; een opperbestuur in schijn, want feitelijk was het de Compagnie die er gezag oefende.

Vele bij Pad. Bovenlanden vermelde bijzonderheden gelden mede voor de Benedenlanden.

bron: Encyclopaedie van Nederlandsch-Indië (1896-1905), dl. 3, pp. 162-163