Padang (hoofdplaats)

Hoofdplaats van het Gouv. Sumatra's Westkust, gelegen in de afdeeling Padang van de residentie Padangsche Benedenlanden, aan de Padang-rivier, zooals de vereeniging van de Ajer Padang Arau en de Ajer Padang Idal heet.

De plaats ligt zeer verscholen, in meer dan een opzicht. Vroeger, vóór den aanleg van den spoorweg naar de Bovenlanden, bleef de stoomer onder den wal van Poeloe Pisang ten anker en dan maakte de Apenberg de plaats onzichtbaar; eerst wanneer de stoomprauw die de passagiers afhaalde, de klip De Walvisch was omgevaren, kwam de stad in 't gezicht. Thans nu de boot de Koninginnebaai binnenloopt en met een zwaai de Emmahaven indraait, liggen er, behalve de Apenberg, nog twee ver uitstekende landtongen tusschen het stoomschip en de stad.

In 20 minuten per spoor, de Padang-rivier over een 100 meter lange brug passeerende, heeft men Padang bereikt, en zelfs dan nog ligt de plaats verscholen; want zij bestaat hoofdzakelijk uit eene verzameling van breede, goed onderhouden en grootendeels lommerrijke wegen, beplant met tamarinde- en tjemara-boomen, afgewisseld door bamboe-struiken, wegen aan weerszijden omzoomd door ruime erven en op vele van deze erven, te midden van een met zorg aangelegden en met bloemen versierden tuin een ruime woning, met de bijgebouwen op den achtergrond. Ligging en bouw dier huizen geven aan Padang een eigenaardig karakter; behalve door den paalbouw onderscheiden zij zich door een hoog, puntig dak van atap, dat, een paar meter buiten de woning reikende, galerijen vormt en de wanden tegen den onmiddellijken invloed der zonnestralen beschermt. De bewoners ondervinden in deze hoog boven den grond geplaatste huizen niet al te erg het nadeel van het niet alleen zeer warme, maar tevens bijzonder vochtige strandklimaat. Verscheidene dier woningen met hare ruime voor-, achter en binnengalerijen, hare luchtige kamers, de houten wanden met papier bekleed, zijn veel gezelliger dan de steenen huizen met bepleisterde muren van de meeste Indische hoofdplaatsen. De woningen der Chineezen, de openbare gebouwen, de kantoren en magazijnen van den Europeeschen handel, het gebouw van den Raad van Justitie, de nieuwe woning van den gouverneur, de gebouwen in het militair kampement en een viertal particuliere woningen zijn van steen, met pannen daken en wit gepleisterde muren.

De Chineezen en de Klingaleezen leven in wijken vereenigd, in aan elkander gebouwde lage woningen; de Chineesche tempel verdient om zijn snijwerk en zijne muurschilderingen vermelding.

De inlandsche bevolking woont grootendeels in de nabijheid van het strand of van de rivier; langs deze staan ook, in regelmatige rijen, de gouvernements entrepot- en koffie-pakhuizen, meer bovenwaarts volgt een plein met de gouv.-bureaux en het kantoor der Java-Bank; achter deze gebouwen ligt de gevangenis met het kettingkwartier. Hoogerop verrijzen de kantoren en pakhuizen der Europeesche firma's, de woning van den Kapitein Chinees en eindelijk de factorij der Handelmaatschappij, op den hoek van een nieuwe straat, welke toegang tot het Chineesche kamp geeft. Vóór de stad, op het koraaleiland Pandan is een vuurtoren gebouwd.

Belangrijke wijken zijn het Plein van Rome, de Belantong en het Michielsplein, met het monument voor den generaal Michiels (Dl. II, bl. 504 van deze Encyclopedie staat verkeerdelijk: Michielsplein te Batavia). Aan het strand staat een grafnaald ter gedachtenis van den luit.-kolonel Raaff, die in 1824 overleed, na zich in den Padri-oorlog te hebben onderscheiden.

Padang is de zetel van den gouverneur, van den Raad van Justitie, den Landraad en de Weeskamer en bezit vele inrichtingen die de behoeften van het gewestelijk bestuur en van den handel eischen; voorts is het de woonplaats van den militairen kommandant der kust, wat de aanwezigheid van verschillende staven en van een groot garnizoen medebrengt, op ult. 1898 1718 man, en bovendien is het een maritiem station.

In de behoefte aan onderwijs der vrij talrijke Europeesche bevolking voorzien drie gouv. lagere scholen, waarvan één uitsluitend voor meisjes; voorts zijn er 3 gouv. en 1 particuliere lagere school voor inlanders.

De stad, die onder onmiddellijk bestuur staat van een assistent-resident voor de politie telt 32.038 inwoners, van den volgenden landaard: 1805 Europeanen, 25.394 inlanders, 4103 Chineezen, 121 Arabieren, 615 andere vreemde oosterlingen.

Padang is een handelsplaats van eenig aanzien. De totale waarde van in- en uitvoer te Padang bedroeg in duizenden guldens gemiddeld vóór 1830, dus vóór de uitbreiding van het grondgebied 3300, in 1839 7000, '40 6700, '41 7090, '42 7200, '43 6000, '44 4350; de daling in 1844 staat in verband met het verminderen der militaire macht. In dezelfde jaren bedroeg de handel (in- en uitvoer in duizenden guldens) met Nederland 1874, 2050, 1680, 720, 244 en 27; met Java 2500, 2770, 3100, 3360, 4200 en 3190; met Bengalen 502, 421, 391, 345, 288 en 202; en met Singapore en Poeloe Pinang 256, 260, 173, 127, 307 en 123. Over het geheel is de handelsbeweging in 1844 tot bijna de helft van hetgeen zij in '40 was gedaald, en met al de uitbreidingen en al de door ons bezette posten, was zij niet veel aanmerkelijker dan zij vroeger was bij het beperkte grondgebied en te midden der nog niet geheel gestilde inwendige beroerten.

De landbouw- en boschproducten der geheele Westkust worden thans door Padangsche handelaren opgekocht en van de hoofdplaats naar Batavia, Europa en Amerika verscheept. Van de voortbrengselen des lands moet in de eerste plaats genoemd worden de koffie, waarvan de uitvoer over 1890-1899 in duizenden pikols bedroeg 67, 79, 74: 69, 56, 62, 70, 72, 49 en 81. Van eenige andere producten des lands volgen hier de uitvoer-cijfers (in pikols, huiden in stuks, over 't jaar 1890 (vóór de opening van den spoorweg) en over de jaren 1897-99.

  1890 1897 1898 1899
rotan 23.300 20.696 12.945 8.356
cassia 10.825 16.116 8.808 8.030
gom benzoë 4.513 5.156 3.643 3.213
gom damar 5.873 7.200 9.519 10.301
getah pertjah 6.965 1.889 4.087 6.900
notenmuskaat 3.522 3.492 3.014 2.343
foelie 655 1.060 1.005 841
tabak 5.730 8.467 7.316 7.418
gember 4.743 8.118 7.622 6.957
coprah 55.615 43.360 89.297 63.141
huiden 28.843 43.360 51.985 47.436

De uitvoer van peper, het artikel dat de Hollanders naar de Westkust bracht, heeft in de laatste jaren zoo goed als geheel opgehouden; die van coprah is in 1883 begonnen.

De totale invoer bedroeg van 1895 tot '97, 4, 6 en 7 millioen gulden; de uitvoer in 1897 6 millioen; de invoer in '98 6 millioen en de uitvoer in dat jaar 7 millioen. Volgens het verslag der K.v.K. te Padang over 1896, 't laatste dat in druk verscheen, bedroegen de invoerrechten van 1892 tot 1896 in duizenden guldens: 463, 399, 421, 380 en 393; de uitvoerrechten over dien tijd: 48, 44, 33, 40 en 42.

De groothandel berust geheel bij enkele Europeesche firma's, de kleinhandel grootendeels bij Chineezen, Maleiers en enkele vreemde Oosterlingen.

In 1895 bedroeg het getal aangekomen stoom- en zeilschepen 205 (790.000 m3), dat der vertrokken schepen 214 (799.000 m3); in 1896 257 en 258; in 1897 286 en 288; in 1898 321 (1.304.569 m3) en 321 (1.348.149 m3).

Van den Staatsspoorweg ter Sumatra's Westkust liggen aan zee twee stations, Stat. Emmahaven en St. Poeloe Ajer; van beide komen de lijnen te Padang samen. Groote veranderingen in den economischen toestand van Padang heeft de spoorweg niet gebracht; wel is eene groote aanwinst voor de stad de Emmahaven, en de verbetering in de vroegere gebrekkige en onzekere gemeenschap met de reede; maar de groote levendigheid die van haven en spoorweg het gevolg zou kunnen zijn, indien het gewest zelf beschikken kon over de factoren voor een zich uitbreidende landbouwnijverheid en andere industrie, is nog niet gekomen.

De stad bezit twee koffiepelmolens en twee ijsfabrieken door stoom gedreven; twee drukkerijen en een mineraalwaterfabriek zonder stoom- vermogen; 14 rijstpelmolens van Chineezen, 5 Chineesche bakkerijen, 40 ijzersmederijen van Maleiers, 5 Chineesche olieslagerijen en eenige steenbakkerijen, mede van Chineezen; 220 personen beoefenen er het goud- en zilversmidsvak; het goud komt als stofgoud uit Korintji, de Batang Hari- en Ophir-districten, Rau en andere streken van de Bovenlanden en van Mandeling in Tapanoeli.

Padang gelegen op 0° 59' 30' Z.B. en 100° 20' 30' O.L. heeft een zeer warm en vochtig, maar niet ongezond klimaat. Door de ligging nabij den evenaar zijn de moesons er niet bekend; in 1898 bedroeg de regenval 4973 millimeter, met verreweg de grootste cijfers in Januari, September en December en met 204 regendagen ('t gemiddelde van 20 jaar is 184 regendagen en 4607 millimeter). De temperatuur wisselt af des morgens omstreeks 7 uur van 22 tot 27°, bedraagt 's middags 30 à 32° en daalt tegen den morgenstond tot 19 à 20°.

Drie-en-veertig jaar nadat in 1637 aan de O.-I. Comp. vrijheid van handel was toegestaan langs de Westkust van Sumatra, werden te Indrapoera, Padang en Tikoe residenten gevestigd, ten bate van het monopolie dat alle andere Europeanen van dien handel uitsloot. De inlandsche bevolking van Padang bleef trouw aan de Comp. maar deze trouw werd onophoudelijk beproefd door de lieden van Kota Tengah en Pau, die, door de Atjehers opgestookt, telkens Padang aanvielen en zelfs (in 1669) het fort verbrandden en de Hollanders noopten Padang en zuidelijk gelegen kantoren te ontruimen. Het opperbestuur, de eindelooze hostiliteiten ter Westkust moede, besloot dat Padang voortaan zonder hulp der Compagnie zijne aangelegenheden zelf zou regelen.

De Engelschen, die in 1683 vruchteloos getracht hadden te Padang handelsbetrekkingen aan te knoopen, kwamen omstreeks 1692 terug en werden met eene voorkomendheid behandeld die het personeel der Comp. onder verdenking bracht bij deze begunstiging voordeel te genieten. Door de verkiezing van een nieuwen en, zooals spoedig bleek, bij de hoofden gehaten panglima van Padang - eene waardigheid omstreeks 1666 in de plaats getreden van die der Atjehsche stedehouders - werd ons gezag op de kust ernstig bedreigd en Padang's handel geraakte door den afval van schier alle naburige plaatsen, zoo ten Zuiden als ten Noorden, in een buitengemeen kwijnenden toestand.

Eene bestuursregeling in 1704 door een daartoe te Padang gekomen gezaghebber baatte weinig; in 1713 en '26 was 't nogmaals Pau dat een aanval waagde en in dien tusschentijd moesten de gezaghebber van Padang en meest alle de mindere bedienden terecht staan, beschuldigd van het drijven van particulieren handel; eenige jaren later kwam dit nogmaals voor. Tijdens het algemeen verval der Comp. en gedurende de oorlogen der Republiek met Engeland en Frankrijk is meermalen overwogen Padang los te laten ter wille van het behoud van Ceylon en Java. Den 18en Aug. 1781 in den oorlog der Vereenigde Nederlanden met Engeland, werd de stad zonder slag of stoot aan de Engelschen overgegeven en 20 Mei 1784 kwam zij aan de Staten-Generaal der Vereenigde Nederlanden terug. Padang werd als hoofdplaats behouden "om de Compagnie aanzienlijker winsten op de lijnwaden te bezorgen, wijl dit het eenigst oogmerk is geweest om Padang te restabileeren en ook het eenigste zal moeten zijn van ons continueerend verblijf aldaar, ter goedmaking der lasten en om de Comp. aldaar te doen bestaan".

Na het vertrek der Engelschen was de toestand allertreurigst; de inlanders waren de baas en de handel verliep meer en meer. Den 7en Dec. 1793 verscheen de Fransche kaperkapitein Le Même te Padang; de Fransche Republiek had den oorlog verklaard aan den Koning van Engeland en aan den Erfstadhouder der Vereenigde Nederlanden, en de weerlooze stad capituleerde en ging met al de Compagnie's goederen in handen der Franschen over. Veertien dagen later trokken de Franschen weg, na de kassen en magazijnen geledigd te hebben, de ingezetenen van alles beroofd.

Op het eind van 1795 was, ondanks hunne smeekbeden nog onbeslist of Commissarissen-Generaal de kantoren ter Westkust zouden opheffen; dit geschiedde niet, maar wel besloten zij in Maart 1795 zich vooreerst van alle openbare daden van souvereiniteit omtrent Padang te onthouden; feitelijk had alle gemeenschap tusschen Batavia en Padang opgehouden: de aanvoer van manschappen, goederen en geld was gestremd. De handel had niets meer te beteekenen, verdedigingsmiddelen waren er niet, soldaten weinig en vele maanden leefden de Padangers in vrees voor een algemeenen aanval door de bevolking van Kota Tengah en Pau. Zoo was de toestand toen bericht kwam dat de Nederlanden in handen der Franschen waren gevallen en de Stadhouder de koloniën gesteld had onder bescherming van de Britsche kroon; 30 Nov. 1795 had de overgave der Comp.'s bezittingen plaats. De stad bleef door de Engelschen bezet tot 1819 toen zij aan Nederland werd teruggegeven; de zoogenaamd Europeesche bevolking bestond toen uit 150 zielen, en voorts waren er 6 à 7000 Maleiers, 200 Chineezen, 1500 Niassers en 200 Bengaleezen.

Padang, steeds als een buitenpost en als een lastpost beschouwd, was ook steeds als zoodanig behandeld; wat zij kreeg was haar met karige hand toegemeten. In 1781 bestond zij uit een paar rijen Europeesche woningen, een fort, een kerk, een pasar met de woningen der inlandsche handelaars, een hospitaal en eenige pakhuizen. Vlak achter de huizen en woningen begon de wildernis; in 1824 wordt de plaats nog als onaanzienlijk en ongeregeld beschreven, met weinig goede huizen en slechte wegen; groote verbeteringen blijkt zij onder het Engelsch bestuur niet te hebben ondergaan. Het plaatselijk bestuur bleef, na de teruggave, voorloopig op denzelfden voet en werd door hetzelfde getal ambtenaren waargenomen; de bezetting was 238 man sterk. De in- en uitvoerrechten bleven gehandhaafd als onder het Britsche interregnum, het zoutmonopolie werd herhaaldelijk afgeschaft en hersteld.

De Padri's, van Padang verwijderd gehouden door Engelsch geld, begonnen ras hunne vijandige gezindheid te toonen op eene wijze, die het optreden der gewapende macht in de Bovenlanden gebiedend noodzakelijk maakte. Daarna, tijdens den Java-oorlog, een terugbrengen naar Java van alle militairen die maar eenigszins gemist konden worden op de kust, waar inmiddels de vijandelijkheden voorkomen moesten worden "door voorzichtig beleid en wijze inschikkelijkheid". In 1831 waagde de bevolking der XIII Kota, steeds een lastige buur, een aanval op Padang, maar zij werd teruggedreven.

Langzamerhand veranderde het uiterlijk der stad; naar gelang het verkeer toenam, verbeterden de verkeersmiddelen, wildernissen werden in tuinen herschapen, en de grond werd allerwege dermate in beslag genomen, dat thans voor sawah-aanleg geen plek in de omstreken meer beschikbaar is; houten huizen werden door steenen vervangen, nieuwe gebouwen opgericht, en door uitbreiding en verfraaiing kreeg Padang zoodoende het uiterlijk, dat nooit nalaat op den welwillend gestemden bezoeker een aangenamen indruk te maken.

bron: Encyclopaedie van Nederlandsch-Indië (1896-1905), dl. 3, pp. 158-161.