Djakatra (handelsplaats)

Djakatra (Jakatra, Djajakarta, Xacatara). Naam van een weinig beduidende handelsplaats, gelegen aan den rechter- en linkeroever der Tjiliwoeng, daar, waar de rivier in de Java-zee uitmondt, waarvan het geheel of een gedeelte op 30 Mei 1619 door de krijgsbenden der Nederlandsche O.-I. Compagnie onder aanvoering van den Gouverneur-Generaal Coen verwoest werd, om plaats te maken voor eene nederzetting der Nederlanders, tevens zetel hunner regeering in Indië: Batavia.

Het plaatsje, waarschijnlijk een nederzetting van mohammedaansche Javanen van Djepara-Demak, moet wat vroeger ontstaan zijn dan die andere kolonie van Djepara-Demak, Bantam. Immers reeds in 1522 sloten de Portugeezen met het hoofd van Djakatra op de plaats zelve een contract.

Op het tijdstip, dat onze Nederlandsche reizigers haar voor het eerst bezochten, was de plaats ondergeschikt aan Bantam. Het hoofd, dat te Djakatra gezag voerde en aan wien de Nederlanders den titel van koning gaven, stond in de verhouding van leenman tot den (toenmaals minderjarigen) vorst van Bantam. Als bewijs kan dienen, dat bij gelegenheid van de besnijdenis van den jongen vorst van Bantam in 1605 het hoofd van Djakatra even als de overige vasallen ter hoofdplaats zijne opwachting maakte. Ook mochten, ten minste in de eerste tijden na 1596, er te Djakatra geen goederen worden verkocht, gelost of verscheept, zijnde dit voorrecht, - een soort van stapelrecht - voor de stad Bantam gereserveerd. Maar gedurende de halve regeeringloosheid, die in Bantam vooral na 1596 heerschte, werd Djakatra de plaats waar Nederlanders en later ook de Engelschen, hunne provisiën (voornamelijk arak) inkochten.

Bantam, dat tot nog toe voor deze streken het monopolie van den invoer en den uitvoer van de peper had bezeten, moest al spoedig de daaraan verbonden winsten deelen met Djakatra. Wat later, 1610, werd er, op grond, van den regent van Djakatra gekocht, eene Nederlandsche loge of factory gebouwd en kort daarop (1614) vestigden zich daar ook de dienaren der Engelsche Oost-Indische Compagnie.

De vestiging der Engelschen bleef onbeduidend, die der Nederlanders kreeg meer en meer beteekenis. De reede van Djakatra was niet zoo geschikt als die van Bantam, maar de inlandsche autoriteiten waren meer welwillend en zoo werd geleidelijk Djakatra in toenemende mate door Nederlandsche schepen bezocht.

In 1618 was Djakatra feitelijk het rendez-vous van de schepen der Ned. O.-I, Comp., geheel volgens de aanwijzingen door Jacques l'Hermite de Jonge reeds in 1612 bij zijne "Corte Remonstrantie" gegeven.

Bekend is het hoe de Gouverneur-Generaal Coen in de, naar zijne meening, hachelijke tijdsomstandigheden de aanleiding vond om de gebouwen der factory te versterken. Den 22sten October 1618 vonden Gouv.-Gen. en Raad van Indië goed terzelfder plaatse een "volkomen fort" op te werpen en te Djakatra den zetel der N.-I. regeering te vestigen.

Deze wederrechtelijke daad lokte later maatregelen van tegenweer uit van de zijde van den regent van Djakatra. Gedurende den strijd, die nu ontbrandde (23 Dec. 1618) en waarbij de Engelschen in den aanvang den regent van Djakatra ondersteunden, om hem even spoedig los te laten, werd laatstgenoemde door een Bantamschen toemenggoeng van de regeering ontzet (2 Febr. 1619) en met zijne bloedverwanten en volgelingen naar Tanarah gevoerd; toen reeds verliet een groot gedeelte van de oorspronkelijke bewoners de plaats.

Sedert dien werden de verlaten versterkingen bezet door Bantamsche krijgslieden. Ook deze werden zonder veel moeite en met gering verlies aan menschenlevens op den reeds vroeger genoemden datum van 30 Mei 1619 verjaagd, bij welke gelegenheid de plaats werd vernield.

Eene gravure, welke een betrouwbare voorstelling geeft van het voorkomen der plaats in het jaar 1607, is opgenomen in het verzamelwerk "Begin en Voortgang v.d. V.N.G.O.-I. C., 2e deel, 1646, Schipvaert onder den admiraal C. Matelief", blz. 52.

Reeds in 1596 wordt melding gemaakt van een houten heining die de stad omgaf; deze wordt in 1607 een steenen muur genoemd. In 1618 kwamen hier nog bij de (onbeduidende) versterkingen, die de regent aan den noordkant van Djakatra maakte tot vlak in de nabijheid van het Hollandsche fortje. Het aantal huizen was volgens eene opgaaf van 1596: 3000; wat vrijwel overeenkomt met eene opgaaf van het aantal der weerbare mannen, in het reisverhaal van Matelief voorkomende tot het cijfer van 4.000. Beide opgaven komen echter mij voor nog te hoog te zijn.

Op tweeërlei wijs is de plaats, waar het voornaamste gedeelte van de kampoeng Djakatra lag, vrij nauwkeurig te bepalen. Op een schetskaartje, haast dadelijk na de gebeurtenissen van 1618/19 vervaardigd en in de verzameling van het Rijksarchief geregistreerd onder "Portefeuille V, uit de memoriën en beschrijvingen van algemeen bestuur", is het punt aangewezen waar "de stadt Jacatra" gelegen had. Bij vergelijking met latere kaarten der stad Batavia blijkt dit punt te liggen op ongeveer 500 meter ten nw. van het (latere) stadhuis.

Wat de tweede wijs betreft. Den 19den Maart 1620 besloot de Indische regeering, voor het geval dat de dienaren der Engelsche Compagnie een versterking wilden bouwen op het kort geleden veroverde gebied, zulks hun niet toe te staan. Alleen een pakhuis zouden zij mogen bouwen en daartoe zou hun dan worden aangeboden "een bequame plaetse op de markt, daer voor desen de stadt van den Koning gestaen had". Toen op 3 Juni 1620 de Engelschen, geheel als de Indische regeering dat verwacht had, verzochten de plaats te mogen in beslag nemen vlak tegenover het oude Nederlandsche fortje *), daar waar hunne loge tot in het laatst van 1618 had gestaan, werd dit verzoek hun geweigerd.

Een tweede verzoek om te mogen bouwen op een plaats binnen een musketschot afstand van het geprojecteerde nieuwe kasteel, werd hun eveneens beleefd ontzegd. Tegelijk werd hun een stuk grond aangeboden "omtrent een steenworp verder de rivier op gelegen".

Waarschijnlijk hebben zij daar inderdaad hunne factory gebouwd. Op een schetskaart van het jaar 1623, afgedrukt tegenover bladz. 362 van het Tijdschr. v.h. Bat. Gen. deel 25, 1879, en waarvan de oorspronkelijke teekening op de akademische bibliotheek te Leiden berust, komt "het quartier der Engelse" voor juist op de plaats volgens de hierboven geschetste omslachtige wijs bepaald, en waar volgens de schetskaart van 1619 de kampong Djakatra lag.

Volgens den Heer Brumund werd het Engelsche huis tijdens het beleg van 1628 gesloopt; op de plaats kwam later de Binnen-Portugeesche kerk en bevonden zich in 1860 op diezelfde ruimte de kantoren van de firma’s Van Ommeren Rueb, Cores De Vries en Roselje. Genoemde kerk lag op 400 meter ten nw. van het (nog bestaande) stadhuis **).


*) Dit fortje is geleidelijk vervangen door een grooter fort, ongeveer negenmaal zoo groot: het bekende kasteel van Batavia. Dit laatste was in 1628 nog niet voltooid.

**) Voor de gissing, welke de heer Mr. J.A. van der Chijs in zijn artikel "het laatste overblijfsel, enz." maakt, als zoude een toren, die indertijd op het gebied der kampoeng Klinting stond en waarvan in 1844 nog de fundamenten over war, een van de verdedigingswerken van het oude Djakatra zijn geweest, bestaat m.i. weinig grond. Djakatra strekte zich niet zoo ver zuidelijk uit, zooals ook blijkt uit een kaart van 1629 (Leupe, Inventaris der Kaarten, Rijksarchief 1e ged. 1867, no. 1179).

(J.A.v.d.B..

bron: Encyclopaedie van Nederlandsch-Indië (1896-1905), dl. 1, pp. 451-452.