Mr. Herman Willem Daendels

Geb. te Hattem 21 Oct. 1762, uit het huwelijk van Mr. B.J. Daendels, Burgemeester van Hattem en J.C. Tulleken.

Na zijn studiën in de rechten te Harderwijk volbracht te hebben met eene promotie op 10 April 1783, sloot hij zich bij de patriotten aan, werd in 1788 genoodzaakt naar Frankrijk te vluchten, trad in 1792 in Franschen dienst en maakte als brigade-generaal den veldtocht mede, die de verovering der Republiek der Vereen. Gewesten ten gevolge had. In 1795 tot Luitenant-Generaal in dienst der Bataafsche republiek benoemd, was hij de voornaamste aanlegger van de omwenteling, die den 22en Januari 1798 tot het optreden van het uitvoerend Bewind leidde, maar bewerkte kort daarna (10 Juni 1798) een tweede omwenteling, door het Vertegenwoordigend Lichaam gewapenderhand te overvallen. Aan het afweren van den inval van een Engelsch-Russisch leger in Noord-Holland (1799), nam Daendels een groot aandeel.

In 1802 vestigde hij zich op de hem door het Staatsbewind geschonken gronden in het Heerderdal, om deze in cultuur te brengen. In 1806 werd hij benoemd tot staatsraad in buitengewonen dienst en opperbevelhebber van de afdeeling van het Hollandsche leger, op de grenzen van de Eems gestationneerd. Als zoodanig veroverde hij Oost-Friesland en werd daarna tot Gouverneur dier provincie benoemd (Oct. 1806).

In hetzelfde jaar werden hem verschillende militaire betrekkingen opgedragen; den 28en Jan. 1807 werd hij benoemd tot Gouv.-Generaal van Indië en Opperbevelhebber van ’s Konings land- en zeemacht aldaar, terwijl hem in Febr. d.a.v. den rang van Maarschalk van Holland werd toegekend. Ten einde de Engelschen te ontkomen, reisde hij onder den naam v. Vlierden over Parijs, Lissabon en de Kanarische eilanden naar Java; den 5en Jan. 1808 kwam hij te Batavia aan en trad 14 Jan. d.a.v. als Gouv.-Generaal op.

Met krachtige hand werd het bestuur door hem gevoerd en aan menig misbruik een eind gemaakt, zonder iemand of iets te ontzien, want de oud-patriot was, zoodra hem de macht in handen werd gegeven, een echt despoot geworden, die zich weinig meer om de revolutionnaire beginselen bekommerde. De zware eischen gesteld aan den Sultan van Bantam voor levering van werklieden aan de versterkingen aan de Meeuwenbaai, deden dezen tot verzet overgaan, dat zwaar werd gestraft door eene expeditie onder Daendels, gevolgd door de afzetting van den Sultan, de ter doodbrenging van diens Rijksbestierder en de inlijving van een gedeelte van Bantam, weldra door een nieuwe inlijving gevolgd, toen ook de opvolger van dien Sultan den Gouv.-Gen. niet kon voldoen en eveneens werd afgezet.

Zijne maatregelen in Cheribon zijn vroeger behandeld (zie: Cheribon).

Het Gouv. van Java’s Noordoostkust werd door hem opgeheven, en de functie van Gouverneur aldaar, onder genot van de daaraan verbonden emolumenten, door hem tijdelijk waargenomen. Het vernederend ceremonieel voor de residenten aan de vorstenhoven op Java werd door hem afgeschaft; de den Europeanen vijandig gezinde Sultan van Djokjakarta, Sepoeh, werd na eene expeditie onder Daendels, waarbij de Kraton werd ingenomen, afgezet en met Soerakarta en Djokjakarta een voor ons voordeelig contract gesloten, dat echter bij de aftreding van Daendels nog niet was uitgevoerd. Onder zijn bestuur eindelijk gingen de Molukken verloren en werd onze nederzetting op Bandjermasin ingetrokken.

In de administratie voerde Daendels verschillende hervormingen in, waartoe hij in staat werd gesteld door de groote macht, hem bij zijne aanstelling gegeven, daar hij gemachtigd werd de Regeering (Raad v. Indië) te ontbinden, en nieuwe leden van dien Raad aan te stellen en zelfs, zooals de Min. v. Kol. hem schreef: "hier, zoo immer, de middelen geoordeeld zouden worden door het doel gerechtvaardigd te zijn".

De groote wilskracht, door hem betoond, die echter niet zelden in dwingelandij en soms zelfs in wreedheid overging, was wel geschikt het aanzien van het Europeesch bestuur, dat onder de vorige landvoogden veel geleden had, te herstellen; de naam alleen van den "donderenden Maarschalk" was vaak voldoende om een eind te maken aan alle verzet en de ambtenaren en inl. hoofden tot de uiterste krachtsinspanning te nopen.

Van blijvende waarde waren de hervormingen, door hem in het Binnenlandsch Bestuur en rechtswezen aangebracht; de aanleg van den grooten weg op Java, ofschoon schatten gelds en niet weinige menschenlevens kostende, bewees veel nut, daar dientengevolge de reis van het eene eiland tot het andere, die te voren 40 dagen vorderde, tot 6 à; 7 dagen werd teruggebracht.

Door Daendels werd een begin gemaakt met de afschaffing van de contingenten en verplichte leverantiën, vroeger door de regenten op te brengen; daarentegen werd aan de Gouv.-koffiecultuur een zeer groote uitbreiding gegeven en de bevolking verplicht het product onmiddellijk aan de regeeringsbeambten te leveren, terwijl ook het Boschwezen door hem gereorganiseerd werd.

De verhuur van dorpen werd door hem verboden; de heerendiensten voor de Eur. ambtenaren werden beperkt, maar weder ruimschoots geëischt voor den arbeid aan wegen enz. en voor de koffiecultuur.

Het financie-wezen bleef ook onder zijn bestuur in treurigen toestand, zoodat hij zich op allerlei wijze geld moest trachten te verschaffen, o.a. door den verkoop van groote landstreken in Tangerang en Krawang en geheel Besoekie met Pamanoekan en Probolinggo; alsmede door het uitgeven van papieren geld en zelfs door het doen van buitengewone heffingen, zooals het zich toeëigenen van gelden van uitlandigen tegen verband der producten, in de magazijnen aanwezig.

Uit het moederland kon geen hulp worden verleend; de handel van Java was door den oorlog met Engeland geheel verloopen, zoodat Daendels wel op allerlei wijzen zich in financieele zaken moest trachten te redden. Ditzelfde geldt ook van het krijgswezen, dat door Daendels zooveel mogelijk hervormd werd; echter zonder gunstig resultaat, zooals bleek bij den inval der Engelschen na zijn vertrek.

Een uitmuntende maatregel was de bepaling, dat de ambtenaren, die tijdens de Compagnie geringe bezoldigingen genoten, en grootendeels van bijverdiensten, vaak niet op de eerlijkste wijze verkregen, moesten leven, behoorlijk zouden worden betaald; zware straffen werden echter bedreigd tegen de ambtenaren die ’s lands gelden ontvreemdden.

Voor zijn eigen belangen zorgde Daendels op eigenaardige wijze, door zich het landgoed Buitenzorg door de Regeering in vollen eigendom te laten afstaan (waartegen hij van het tijdelijk bezit van Weltevreden afzag), en dat met een buitensporige winst weder te verkoopen, - gedeeltelijk weder aan den lande, - waartoe hij enkele bepalingen, in het belang der bevolking dier landen genomen, in trok.

Reeds in 1809 Daendels herhaaldelijk zijn ontslag gevraagd. Na de inlijving van het Koninkrijk Holland werd hem dit door Keizer Napoleon verleend, en legde Daendels diensvolgens op 16 Mei 1811 het bewind neder.

Na zijn terugkomst in Europa werd hij tot divisie-generaal in het Fransche leger benoemd, maakte het begin van den veldtocht naar Rusland mede, doch werd reeds Oct. 1812 tot bevelhebber der Poolsche vesting Modlin benoemd.

Na den val van Napoleon werd hij 27 Juli 1815 tot Gouv.-Gen. der Ned. bezittingen ter kust van Guinea benoemd en overleed te St. George del Mina den 2en Mei 1818.

In 1814 deed hij te ’s Grav. het licht zien zijn "Memorie over den Staat der Ned. O.I. bezittingen 1808-1811", 4 dln., waarin hij de daden van zijn bestuur heeft toegelicht en verdedigd. Zij werden aan een scherpe kritiek onderworpen door N. Engelhardt. "Overzigt van den Staat der N. O. I. bezittingen", ’s Grav. 1816 en in "Brieven betreffende het bestuur der koloniën", Amst. 1816. Vgl. ook: "Brief, inhoudende eenige onpartijdige aanmerkingen op den Staat", ’s Grav. 1815.

Zie over Daendels:

  • J. Mendels, Herman Willem Daendels, vóór zijne bevordering tot Gouv.-Gen. ’s Grav. 1890.
  • D.J. Baron Mackay. De handhaving van het Ned. gezag en de hervorming van het rechtswezen onder het bestuur van den G.-G. Daendels. ’s Grav. 1861.
  • De opkomst v. h. Ned. gezag in O. Indië door De Jonge en Van Deventer. Dl. XIII, ’s Grav. 1888.

bron: Encyclopaedie van Nederlandsch-Indië (1896-1905), dl. 1, pp. 411-412.