Johannes Robbert van der Burgh

Geboortig van Leiden, kwam hij in 1760 naar Indië, en werd vóór het einde van dat jaar aangesteld tot provisioneel assistent bij de Generale Secretarie te Batavia.

Vijf jaren later reeds opgeklommen tot onderkoopman en in 1769 tot koopman, werd hij in deze laatste kwaliteit geroepen tot de bediening van Eersten Secretaris van Gouverneur-Generaal en Raden. Hij vervulde die betrekking van 1769 tot 1771, als wanneer hem de post van Gouverneur en Directeur van Java’s N.O.kust werd opgedragen.

Als zoodanig de opvolger van een Harting en Van Ossenbergh, behoorde hij met dezen tot Java’s bekwaamste en verdienstelijkste gouverneurs.

Van der Burgh bracht in de bekende "Akten van Verband" der inlandsche regenten belangrijke wijzigingen, waardoor ook de verhuur van desa’s aan Chineezen verboden werd; gelijk hij in ’t algemeen den indrang dezer natie op Java tegenging op eene wijze, die zijnen opvolger ter navolging werd aanbevolen. Hij leidde, gedeeltelijk in persoon, de onderdrukking van den opstand van 1771 en nam maatregelen, opdat deze op menschelijke wijze geschiedde.

Door den gezaghebber van den Oosthoek Luzac daarin bijgestaan, organiseerde hij het bestuur in de kortelings onder het gezag der Compagnie gebrachte gewesten Balambangan, Loemadjang, Malang en Ngantang.

De verdeeling der landen van den Soesoehoenan en den Sultan, welke in 1755 voorloopig en oppervlakkig had plaats gehad, leidde voortdurend tot hoog loopende moeilijkheden. Dit gewichtig onderwerp werd door Van der Burgh’s bemiddeling geregeld bij een contract tusschen de genoemde vorsten, dat den 26sten April 1774 gesloten werd, en dat in het XIe Deel der "Opkomst van het N'ederl. gezag in O.-Indië is opgenomen. Behalve herhaalde blijken der goedkeuring van de Hooge Regeering, ontving Van der Burgh in 1779 uit het moederland zijne benoeming tot Raad Extr. van Indië. Nadat hij met het begin van het daaropvolgende jaar zitting in den Raad te Batavia genomen had, overleed hij aldaar den 20sten Augustus 1781.

bron: Encyclopaedie van Nederlandsch-Indië (1896-1905), dl. 1, p. 300.