Steven Adriaan Buddingh

Geboren 25 Maart 1811 te Kage bij Leiden, waar zijn vader, gehuwd met C.E. Caspers, predikant was.

Hij studeerde te Leiden in de godgeleerdheid, werd 4 Oct. 1S32 proponent en 21 Sept. 1833 doctor in de theologie, en vertrok in datzelfde jaar als huisleeraar naar Indië.

Daar gelukte het hem zich van die voor hem niet passende betrekking te ontslaan; hij werd 25 Juni 1834 tot hulpprediker te Batavia, spoedig daarna tot predikant aldaar benoemd. Hij bleef dit, tot hem in 1850 een verlof naar Nederland werd toegestaan; gedurende zijn verblijf te Batavia was hij bovendien in verschillende wetenschappelijke en andere betrekkingen werkzaam, en vond de gelegenheid reizen over Java te doen, en kennis van Indië te verwerven.

Dit laatste was op veel grootere schaal het geval door de opdracht, hem in 1851 gegeven, om eene algemeene inspectie over de kerken en het schoolwezen in Ned.-Indië te houden, waarvan hij zich van 1852-1857 kweet en waarbij hij een groot gedeelte van den archipel bezocht.

In dat laatste jaar verzocht en kreeg hij ontslag als predikant, keerde naar Nederland terug, waar hij achtereenvolgens te Delft, Velp en Arnhem zich vestigde en den 29sten Juli 1869 te Katwijk, waar hij zich tijdelijk ophield, overleed.

Behalve vele geschriften van godsdienstigen en philantrophischen inhoud, schreef Buddingh over Indische onderwerpen in tijdschriften en jaarboekjes, met name in het door hem gestichte "Indisch archief", waarvan slechts 4 deelen verschenen, en een groot werk in 3 deelen: Nederlandsch Oost-Indië, reizen enz. Rott. 1857, de vrucht van de inspectie-reis, door hem gedaan.

Zie zijne biographie door D. Buddingh in de Levensberichten der Mij v. Letterkunde 1870, met opgave zijner geschriften.

bron: Encyclopaedie van Nederlandsch-Indië (1896-1905), dl. 1, p. 292.