Hendrik Brouwer

Zoon van J.J. Brouwer, burgemeester van Leiden en raad ter admiraliteit te Amsterdam en C.D. Coppier, werd omstreeks 1588 geboren.

Hij ging in 1606 naar Indië, doch repatrieerde spoedig, om echter in 1610 als kommandeur van 3 schepen opnieuw daarheen te trekken.

In 1613 deed hij een tocht, op welken hij den grond legde voor onzen handel met Siam. In datzelfde jaar werd hij naar Holland opontboden, waar hij 15 jaar den post bekleedde van bewindhebber der O.I. Maatschappij ter kamere Amsterdam.

In 1632 met een zending vanwege de Comp. naar Londen gegaan zijnde, om geschillen tusschen haar en de Engelsche Maatschappij uit den weg te ruimen, kwam hij vandaar terug onder beschuldiging van Engelsche zijde van kwade trouw; maar dat men hier weinig geloof aan die beschuldiging sloeg, blijkt uit zijne benoeming voor 3 jaar tot Gouv.-Gen. van N.-I., werwaarts hij in 1632 vertrok, in ’t bezit van een lastbrief van Prins Maurits en der vergadering van Zeventienen en van eene hoogst belangrijke instructie voorzien.

Hij legde zijn ambt neder den 1sten Jan. 1636, en kwam te Amsterdam, waar men zwarigheden maakte om hem opnieuw als bewindhebber aan te stellen. Brouwer zag toen van een herbenoeming af.

Hij werd later door de W.I. Comp. naar Amerika gezonden (1641); en overleed den 7den Aug. 1643 bij Karel Mappa (Chili).

Eene beschrijving van zijne reis naar Chili verscheen in 1646.

bron: Encyclopaedie van Nederlandsch-Indië (1896-1905), dl. 1, pp. 290-291.