Sir James Brooke

Stichter van het rijk van Serawak op Borneo, geboren in een voorstad van Benares, 29 April 1803, waar zijn vader ambtenaar in dienst der Britsche Compagnie was.

Op zijn 12de jaar naar Engeland gezonden, trad hij 4 jaar later als luitenant in dienst bij het Bengaalsche leger, werd in den oorlog met Birmah gewond (1825) en verliet daarop den Indischen dienst.

In 1835 werd hij door den dood van zijn vader in staat gesteld zelfstandig op te treden en met een eigen schip den Indischen Archipel te bezoeken, ten einde daar betrekkingen met Indische volken en vorsten aan te knoopen, zeker wel met de bedoeling de christelijke beschaving te verspreiden, maar ongetwijfeld ook met den wensch om den Engelschen invloed in die streken te verhoogen.

Te Celebes gelukte hem dit niet; des te beter slaagde hij op Borneo. Het bestuur te Batavia bemoeide zich weinig met de Nederlandsche belangen op dat eiland, had zelfs zijne ambtenaren aldaar gelast zich niet met de inwendige zaken te bemoeien en hun verboden, zich naar de binnenlanden te begeven.

Toen Brooke in 1839 en 1840 op Borneo vertoefde, waren de Dajaks te Serawak in opstand tegen den Sultan van Broenei; de Nederlandsche ambtenaren waren gedwongen zich van inmenging te onthouden, en toen Brooke zijn hulp aanbood, werd deze gretig aangenomen. De verleende hulp werd beloond eerst door den afstand der inkomsten van Serawak, en in 1841 door de erkenning van Brooke als leenvorst van Broenei over Serawak, later als onafhankelijk vorst.

Een geregeld bestuur werd te Serawak door Radja Brooke gevestigd; orde en veiligheid gehandhaafd en met behulp der Engelsche marine de zeerooverij met kracht tegengegaan.

In 1846 gelukte het hem het eiland Laboean, aan den mond der Broenei-rivier, voor Engeland te verkrijgen, dat daarop als kolen-depôt grooten prijs stelde; hij werd bij een bezoek aan Engeland (1847) in den adelstand verheven en tot Gouverneur van Laboean en tot Consul-Generaal benoemd.

Hiermede had hij het toppunt van zijn fortuin bereikt. Een kruistocht tegen zee-roovers van Seriboes en Sekaran werd met zoodanige strengheid door hem gevoerd, dat hij zelfs in het Parlement van noodelooze wreedheid werd beschuldigd; ofschoon hij zich tegen die aanvallen met kracht verdedigde, werd hij van de betrekking van Consul-Generaal ontheven, en in 1857 brak onder de Chineezen te Serawak een hevig oproer uit, waarbij zijn huis en verdere bezittingen vernield werden.

Hierdoor moedeloos geworden, keerde Brooke in 1858 naar Engeland terug, nadat hij het bestuur aan een zijner neven, kapitein Brooke had toevertrouwd. Daar trachtte hij, wiens fortuin geheel verloren was gegaan en wiens gezondheid door eene beroerte veel geleden had, onderhandelingen met het Gouvernement aan te knoopen, opdat dit het bestuur over Serawak van hem zou overnemen tegen geldelijke schadeloosstelling.

Dit mislukte echter, evenals andere dergelijke onder handelingen met andere regeeringen; een nationale inschrijving stelde hem echter in staat zijne laatste levensjaren op een klein landgoed, Burrator, bij Dartmoor door te brengen, waar hij den 11den Juni 1868 overleed.

In 1862 vertrok hij nog eenmaal naar Serawak, waar zijn neef tegenover hem een vijandige houding had aangenomen, maar bij zijne komst alle verzet opgaf en door een anderen neef van Brooke, Charles Johnson, die den naam Brooke aannam, vervangen werd.

Zie over hem: Gertrude L. Jacob, The Raja of Serawak. London 1876. 2 dln; Spenser St. John. The life of Sir J. Brooke. Edinb. en London 1879; H. Keppel, The expedition to Borneo of H.M.S. Dido. London 1846. 2 dln: R. Mundy, Narrative of events in Borneo and Celebes. Lond. 1848. 2 dln; H. Keppel, A visit to the Indian Archipelago in H.M.S. Maeander. London 1853. 2 dln; The private letters of Sir J. Brooke ed. bij J. C. Templer. London 1853. 3 dln; Steyn Parvé, De handelingen van Sir J. Brooke op Borneo. Haarlem 1859.

bron: Encyclopaedie van Nederlandsch-Indië (1896-1905), dl. 1, p. 290.