Pieter van den Broek

In 1575 te Antwerpen geboren, werd hij naar aanleiding van in Afrika betoonde geschiktheid voor den koophandel, op verzoek van den Gouv.-Gen. Reynst in 1613 als Raad van den Gouv.-Gen. naar Indië gezonden, legde op weg daarheen te Aden den grond tot een uitgebreiden handel; vertrok vandaar naar Bantam, werd door Coen naar de Molukken gezonden, nam daar deel aan de verovering van het kasteel op Poeloe Ay; vertrok daarna op last van Coen weder naar de Roode Zee, ankerde 13 Januari 1616 voor Mokka, waar hij een buitengewoon gunstig onthaal vond en hem veel eer werd bewezen. Van dezen tocht heeft hij een verhaal gegeven met een beschrijving van de geheele Turksche heerschappij in Europa, Azië en Egypte, die van zijn uitgebreide kennis getuigt.

Op zijn terugreis naar Bantam deed hij Suratte aan, vestigde daar een kantoor, veroverde een Portugeesch fregat en vernieuwde het handelstractaat met Calcutta.

Na nog een merkwaardige reis naar de Roode Zee volbracht te hebben, stichtte hij op last van Coen de loge te Djakatra.

Weldra door de Engelschen ter zee en door de Javanen te land belegerd, werd hij door gebrek aan munitie gedwongen zich over te geven; tegen het verdrag in verraderlijk gevangen genomen, doch later op aandrang van Coen ontslagen (Zie: Djakatra).

Latere onderzoekingen (zie De Jonge, De opkomst van het Ned. gezag in O.-I. IV. bl. xciv vlg.) hebben bewezen dat Van den Broeck een veel minder heldhaftige rol speelde bij het beleg van Batavia, dan vroeger algemeen werd aangenomen.

Van 1620-1626 verbleef hij te Suratte, keerde in 1629 te Batavia terug, vanwaar hij nog in hetzelfde jaar repratrieerde en in 1630 in het vaderland terugkwam.

In 1640 en 1641 nam hij als Kommandeur deel aan het beleg van Malaka, en stierf in laatstgemeld jaar in het leger voor die stad.

bron: Encyclopaedie van Nederlandsch-Indië (1896-1905), dl. 1, p. 288.