Johannes van den Bosch

Geboren te Herwijnen 2 Februari 1780 uit het huwelijk van J. Van den Bosch, geneesheer aldaar, en A. Poningh.

Reeds op 17-jarigen leeftijd vertrok hij als luitenant der genie naar Batavia, werd daar op 6 febr. 1801 kapitein, aide-de-camp van den Gouv. Gen. Van Overstraten, onderscheidde zich door het ontwerpen van een plan tot verdediging van Batavia, werd daarna Majoor, aide-de-camp van G.G. Siberg (1804), Luitenant-Kolonel en adjudant-generaal van den Gouv. Gen. Wiese (1807) en werd 18 Mei 1808, bijna onmiddellijk na de optreding van Daendels, op zijn verzoek eervol uit den dienst ontslagen.

Gehuwd met eene dochter van De Sandol Roy, brigadier en hoofd over de geheele Indische militie, deelde hij in de ongenade, waarin deze bij Daendels viel en moest binnen 24 uur Java verlaten; in Nov. 1810 vertrok hij naar Nederland en werd daar spoedig in hooge militaire betrekkingen geplaatst en o.a. 6 Nov. 1814 belast met de directie der Oost-Indische militaire zaken. Bovendien hield hij zich veel bezig met aangelegenheden van armenverzorging en stichtte o.a. de Maatschappij van Weldadigheid.

Ook vestigde hij de aandacht van Koning Willem I op zich door de uitgave van een werk, getiteld: Ned. bezittingen in Azië, Amerika en Afrika, in derzelver toestand en aangelegenheid voor dit Rijk wijsgeerig, staathuishoudkundig en geographisch beschouwd, ’s Grav. 1818, 2 dln met atlas. Toen dan ook, naar het oordeel van den Koning, de toestand der West-Indische koloniën onbevredigend bleek, werd Van den Bosch derwaarts gezonden als Commissaris-Generaal, teneinde het bestuur aldaar op vasten voet te brengen (1827), van welke zending hij zich tot groote tevredenheid van den Koning wist te kwijten.

In Nederland teruggekeerd, werd hij aanstonds in eene voor Indië hoogst belangrijke aangelegenheid betrokken. Door den Comm.-Gen. Bus de Gisignies was een rapport ingediend, waarbij een stelsel van beheer voor Java was ontworpen, steunende op vrijen arbeid en uitgifte van woeste gronden aan particulieren (Zie: Bus du Gisnignies), dat met warmte door den Minister van Koloniën Elout werd ondersteund. Deze stukken werden in handen van Van den Bosch gesteld, die in een eerste rapport zijn gevoelen ontwikkelde, dat in het stelsel van Du Bus veel aanbevelenswaardigs was, maar toch reeds op het bezwaar van concurrentie met den, naar zijn oordeel goedkooperen slaven-arbeid wees.

Met medewerking van Elout tot Luitenant-Generaal, Gouverneur-Generaal van Ned. Indië benoemd, bracht Van den Bosch een nader rapport uit, waarin die bezwaren breeder werden uiteengezet en het nemen van een proef werd ontraden, ook met het oog op het verlangen van den Koning, dat Indië in staat zou worden gesteld de voor die kolonie opgenomen gelden met de interessen ten spoedigste af te lossen. Naar het oordeel, toen door Van den Bosch uitgesproken, was het stelsel der Compagnie te verkiezen boven dat, door Du Bus voorgestaan. Ofschoon Van den Bosch uitdrukkelijk aan Elout verklaarde, niet voornemens te zijn dwangarbeid van den inlander in te voeren, begreep deze, dat de plannen van Van den Bosch noodwendig daartoe moesten leiden, en nam zijn ontslag als Minister.

Van den Bosch kon dus ongehinderd zijne plannen in Indië ten uitvoer brengen; hij vertrok naar Indië, voorzien van eene instructie, waarin hem gelast werd de productie van voor de Europeesche markt geschikte gewassen op Java op te voeren tot minstens ƒ 5 per hoofd der bevolking, en tevens met een Reg. reglement, dat nog met medewerking van Elout tot stand was gekomen en waarin van dwangarbeid geen sprake was.

De hoofdvrucht zijner werkzaamheid in Indië was de invoering van het beroemde Cultuurstelsel, waarover Zie aldaar. Geruimen tijd stuitte hij daarbij op tegenstand in den Raad van Indië, waarvan Merkus het hoofd was, en op de min of meer verborgen tegenwerking van de ambtenaren bij het binnenl. bestuur.

Om deze te overwinnen, werd in de eerste plaats uitdrukkelijk geconstateerd, dat het nieuwe stelsel de volkomen goedkeuring van den Koning wegdroeg; bovendien werd hij 17 Jan. 1832 benoemd tot Commissaris-Generaal over Ned. Indië en met een uitgebreide macht bekleed, met het recht om verordeningen uit te vaardigen, zelfs strijdig met het Reg. regl. en alle maatregelen te treffen, die in den regel slechts door den Koning konden genomen worden.

Eerst 27 Juni 1833 werd die waardigheid door hem aanvaard; J.C. Baud (Zie aldaar) was hem reeds den 23en Januari te voren als vice-president der Indische Regeering toegevoegd, en trad den 2en Juli d.a.v. als Gouverneur-Generaal ad interim op, terwijl Van den Bosch nu alleen de waardigheid van Commissaris-Generaal bekleedde.

Als zoodanig zorgde hij voor de consequente doorvoering van het door hem ontworpen stelsel; nadat hij de zekerheid verkregen had dat Baud in zijn geest werkzaam zou zijn, legde hij 31 Jan. 1834 ook die betrekking neder en vertrok naar Nederland, waar hij in Mei van dat jaar aankwam.

Ofschoon de invoering van het Cultuurstelsel stellig wel de belangrijkste aangelegenheid was, tijdens het bestuur van Van den Bosch tot stand gekomen, hadden ook andere gewichtige gebeurtenissen onder zijne landvoogdij plaats.

De opstand van Dipa Negara was bij zijne komst zoo goed als bedwongen: Van den Bosch trok daarvan partij om de rijken van Soerakarta en Djokjakarta aanmerkelijk in te krimpen, door een groot deel daarvan bij het Gouvernementsgrondgebied in te lijven (Zie: Vorstenlanden en Java. Geschiedenis van...). Dit alles kon geschieden zonder dat de rust in het uitgeputte Midden-Java werd verstoord; een kleine opstand van Chineezen, als arbeiders bij de cultures ingevoerd, werd gemakkelijk bedwongen, evenals een opstand in Benkoelen, waarbij de assist. res. Knoerle vermoord werd.

Minder gelukkig was Van den Bosch op Sumatra’s Westkust, waar de oorlog met de Padri’s (Zie: Padri), in 1832 schijnbaar geëindigd, in 1833 weder uitbarstte, en een aanval op Bondjol, door Van den Bosch, die zelf op het tooneel van den strijd verscheen, gelast, geheel mislukte. Op de Oostkust van dat eiland werden betrekkingen met Djambi aangeknoopt en vergunning gegeven, eene sterkte te Moeara Kompeh op te richten.

Van den Bosch was overigens geen voorstander van spoedige uitbreiding van het Ned. gezag op de Buitenbezittingen: hij wilde vooral concentratie onzer krachten op Java en Sumatra. Door Van den Bosch werd eindelijk een defensie-stelsel voor Java ontworpen en met de invoering daarvan een begin gemaakt; de geheele uitvoering daarvan heeft nimmer plaats gehad, daar de kosten te groot en de resultaten weinig bevredigend bleken.

In Nederland werd Van den Bosch zeer spoedig (30 Mei 1834) na zijne aankomst tot Minister van Koloniën benoemd en zorgde hij, later vooral door Baud bijgestaan, voor de consequente ontwikkeling van het door hem ingevoerde stelsel. Ofschoon dat stelsel voor het moederland rijke vruchten afwierp, stegen de eischen, aan de Indische geldmiddelen gedaan, telkens hooger, en zag Van den Bosch zich genoodzaakt tot herhaalde leeningen hij de Handelmaatschappij (Zie aldaar) over te gaan. Ofschoon de Tweede Kamer volle vertrouwen in zijn beleid toonde, wekte echter het beheer van de Nederlandsche financiën, door het kabinet, waarvan hij deel uitmaakte, gevoerd, meer en meer verzet, totdat eindelijk in 1839 een wetsvoorstel tot het leenen van 56 millioen gulden, waarbij de koloniën betrokken waren, door die Kamer werd verworpen.

Dientengevolge trad Van den Bosch op 31 Dec. 1839 als Minister van Koloniën af en werd, ter belooning voor de gewichtige diensten, door hem bewezen, tot graaf verheven, nadat hij reeds in 1835 tot baron geadeld was.

Nog eenigen tijd genoot hij de hem verleende rust, tot hij den 28 Jan. 1844 op den huize Bosch lust bij 's-Gravenhage overleed.

Behalve het bovengenoemde boekwerk verscheen nog van zijne hand: Iets over de financieële aangelegenheden van het Rijk. ’s Grav. 1840. - Onderzoek naar de beginselen, waaraan de bezuinigingen en hoogere belastingen behooren getoetst te worden. Met 2 vervolgen, ’s Grav. 1843-1844, en na zijn dood: Mijne verrichtingen in Indië: Verslag van Z. Exc. den Comm.-Gen. over de jaren 183o-1833 enz. Amst. 1864.

bron: Encyclopaedie van Nederlandsch-Indië (1896-1905), dl. 1, pp. 263-264.