Jacobus Bontius of De Bont

Geboren in 1592 te Leiden, waar hij 12 jaar oud als student werd ingeschreven en zich waarschijnlijk als geneesheer vestigde tot hij op 34-jarigen leeftijd in dienst der Compagnie trad.

Van 1627 tot 1632 was hij archiater (doctor, apotheker en opzichter van de chirurgijns in Indië) te Batavia; in het laatstgenoemde jaar overleed hij aldaar.

Zijne verdiensten zijn vooral groot op botanisch en ook op medisch gebied; hij was de eerste Ned. geneesheer die de O.I. geneeskrachtige planten begon te bestudeeren en heeft ook het eerst de ziekten beschreven die in zijn tijd te Batavia heerschten.

Hij schreef: J. Bontii in Indiis archiatri. De Medicina Indorum Lib. IV, Lugd. Bat. 1642. Van zijn werk; Historiae naturalis et medicae Indiae Or. Libri Sex bestaat een Engelsche vertaling. Zijne werken zijn, met uitzondering van het boek De observationibus e cadaveribus, te vinden in de O. en W.I. Warande door J. Bontius, G. Piso en G. Markgraef.

Het plantengeslacht, behoorende tot de orde der Alyoporincae is door Plumier naar hem Bontia genoemd.

Zie over hem Dr. C. Swaving in Nat. Tijdschr. N.I. XXX, bl. 285, 475 en Dr. G.F. Pop. Ibid. XXXI bl. 281 en Geneesk. T. Zeem. Vil, bl. 8.

bron: Encyclopaedie van Nederlandsch-Indië (1896-1905), dl. 1, p. 235.