Carl Ludwig Blume

Geb. te Brunswijk 9 Juni 1796, overl. te Leiden 3 Feb. 1862.

Op jeugdigen leeftijd als geneeskundige naar Java gekomen, kreeg hij aldaar spoedig eene plaatsing als adjunct bij Reinwardt in het beheer van ’s lands Plantentuin te Buitenzorg. Bij diens vertrek naar Europa werd hij benoemd tot Directeur van den Tuin en Inspecteur van de Vaccine (11 Juni 1822). Voor zijne werkzaamheden aan deze inrichting : Zie Botanische Tuin.

Hij had op zijne tochten over Java belangrijke botanische collecties bijeengebracht, welke hij met de aldaar door Kuhl en Van Hasselt verzamelde planten met zich voerde, toen hij in 1826 tot herstel van gezondheid naar Europa moest terug- keeren, terwijl wegens de toen ingevoerde bezuinigingen de Plantentuin zonder wetenschappelijk toezicht achterbleef.

In Nederland aangekomen, wist hij gedaan te krijgen dat deze verzameling bestemd werd voor het oprichten van een Rijks Herbarium, aan welke instelling Blume in 1829 als directeur werd verbonden, terwijl hem tevens de titel van hoogleeraar werd verleend.

Oorspronkelijk gevestigd te Brussel, werd ’s Rijks Herbarium in 1830 wegens de Belgische onlusten overgebracht naar Leiden, waar Blume het overige deel van zijn leven besteedde aan het onderzoek en de beschrijving van het materiaal onder zijn beheer.

De instelling kreeg vooral door de pogingen van Blume, om alles, wat op botanisch gebied in Nederlandsch-Indië verzameld werd, daarin te doen opnemen, weldra een groote uitgebreidheid. Deze pogingen, niet altijd in overeenstemming met de wenschen der verzamelaars, gepaard met zijn weinige gezindheid om de schatten van ’s Rijks Herbarium ook voor andere botanisten beschikbaar te stellen, maakten hem, niettegenstaande zijn groote verdiensten op botanisch gebied, bij de meesten zijner vakgenooten weinig bemind.

Met D.J. Veegens redigeerde hij het tijdschrift De Indische bij (1842-1844). Voor zijne geschriften: Zie Botanische Litteratuur.

bron: Encyclopaedie van Nederlandsch-Indië (1896-1905), dl. 1, p. 211.