Besoeki (residentie)

De meest oostelijke residentie van Java, heeft een oppervlakte van 184 502/10000 vierk. geogr. mijlen, en had onder ulto. 1893 een bevolking van 694.928 zielen, waaronder 1036 Europeanen, 1736 Chineezen en 1603 Arabieren en andere vreemde Oosterlingen. De inlandsche bevolking bestaat grootendeels uit Madoereezen.

Het gewest, dat ten n. bespoeld wordt door straat Madoera, ten o. door straat Bali, en ten z. door den Indischen Oceaan, wordt ten w. begrensd door de residentie Probolinggo.

Over het algemeen is het gewest bergachtig. Op de grens met Probolinggo vindt men het Ajang-gebergte met den Argapoera als hoogste top. Door den Arak-arak-keten, die in n.o. richting van dat gebergte uitgaat, is het verbonden met den Ringgit (1), een vulkanisch gebergte, geheel in het noorden van het gewest gelegen. Oostwaarts van deze gebergten strekt zich in het n.lijk deel van het gewest de vlakte van Panaroekan uit, die doorstroomd wordt door de Sampejan, die haar hoofdbronnen op den Argapoera heeft, en nabij Panaroekan in straat Madoera valt.

Die vlakte is slechts door een lage waterscheiding, een zadel van niet meer dan 300 m. hoog, gescheiden van de zuidelijk daarvan gelegen vlakte, die van Poeger, welke door de Bedadoeng als hoofdrivier in z.w.lijke richting doorstroomd wordt. In deze vlakte vindt men nabij de grens met Probolinggo de rawah Bèsèk.

O.lijk van die vlakten verheft zich het reusachtige Raoen-Idjèn-geb. op de grens van de afdeeling Banjoewangi, die door dat gebergte en zijn z.lijke en n.lijke uitloopers geheel van het overige deel van het gewest is gescheiden. De hoogste top van het Raoen-Idjèn-geb. verheft zich 3330 m. Ten n.o. van dat gebergte, geheel in den n.o.lijken hoek der residentie en van Java vindt men nog den op zichzelf staanden Baloeran, een niet meer werkzame vulkaan, 1248 m. hoog; terwijl zich op het schiereiland Balambangan, den z.o.lijken uithoek van het gewest en van Java, geheel geïsoleerd, de Poerwo verheft, die waarschijnlijk vroeger niet met den vasten wal van Java verbonden was.

Het n.lijkste punt van de residentie is Tandjong Tjina, gevormd door het alluvium van de Sampéjan. Bij kaap Sedano, gevormd door den voet van den Baloeran, buigt de kust zich naar het z. om en behoudt vrijwel een recht z.lijke richting tot aan de diep ingesneden Pampang-baai, ten o. waarvan een uitlooper van de Poerwo de kaap Tandjong Semboeloengan vormt, vanwaar de kust in z.z.o.lijke richting naar Java’s Oostkust, van daar z.w.waarts naar Java’s Zuidhoek en verder w.waarts naar Tandjong Poerwo loopt. Dit is de o.lijke hoek van de Gradjagan-baai, met de Pampangbaai de landengte vormende, die het schiereiland Balambangan met het overige Java verbindt. De z.kust van het gewest is zeer onregelmatig gevormd. Men treft daar van o. naar w. behalve de baai van Gradjagan, nog aan de baai van Radjek-wesi, de Permisan-baai, de Meroe-baai, de Pisang-baai, en de baai van Poeger, vóór welke laatste zich het mede tot het gewest behoorende eiland Noesa Baroeng bevindt.

De voornaamste rivieren, die het gewest doorsnijden, zijn reeds genoemd, nl. de Sampéjan en de Kali Bedadoeng met haar rechter-zijrivier, de Kali Misini.

Behalve dezen verdienen nog genoemd te worden de Kali Parséh, die van het hoogland van het Idjèn-geb. in n.lijke richting stroomt en even beoosten Asembagoes bij Tandjong Djangkar in straat Madoera valt, verder de Kali Badjoelmatie, die ook van het Idjèn-gebergte komende, en tusschen den n.lijken voet van dat gebergte, en den z.lijken voet van den Baloeran stroomende, benoorden straat Bali in zee valt. Verder nog de Kali Tamboeng, die ook van het Idjèn-geb. komt en bij Banjoewangi in zee valt; - de Kali Bomo en de Kali Setaliil, beiden van het Raoen Idjèn-geb. komende en zich in de Pampang-baai uitstortende; de Kali Baroe en de Kali Sanè;n, de laatste met haar rechter- zijrivier de Kali Majang, allen van het Raoen-Idjèn-geb. komende en zich in den Indischen Oceaan stortende, en eindelijk de Kali Bondo-joedo, die met haar linker-zijrivier, de Kali Djatiroto, in het z. de grens met Probolinggo vormt.

Het gewest is administratief verdeeld in de afdeelingen Besoeki, Panaroekan, Bondowoso, Djember en Banjoewangi.

De particuliere landbouwindustrie heeft sedert jaren in dit gewest een ruim veld van ontwikkeling gevonden. Behalve elf ondernemingen, waar in vrijwillige overeenkomsten met de bevolking suiker wordt geteeld, waren er ult. 1894 19 dergelijke ondernemingen voor de teelt van tabak, en 61.366 bahoe’s gronden in erfpacht afgestaan, waarvan 41.366 bahoe’s in de afdeeling Djember, 7.547 bahoe’s in de afdeeling Panaroekan en 11.953 bahoe’s in de afdeeling Banjoewangi, grootendeels voor de teelt van koffie en tabak, gedeeltelijk ook voor die van suikerriet en een kleine uitgestrektheid voor die van klappers.

De Madoereesche bevolking houdt zich hoofdzakelijk met den landbouw bezig, die door de vruchtbaarheid van den bodem over het algemeen loonend is, terwijl zij zich aan de kusten ook met den vischvangst en een weinig kustvaart bezighoudt. Ook legt zij zich op de veeteelt toe.

De binnenlandsche handel, hoofdzakelijk in landbouwproducten en in voorwerpen van behoefte voor de landbouwondernemingen, als matten, krandjangs en dergelijken bestaande, is vrij levendig; doch behalve de meer eenvoudige industrieën als potte bakken, vlechtwerken van bamboe, ijzersmeden, enz. is de ambachtsnijverheid er weinig ontwikkeld.


(1) Op blz. 40 staat abusievelijk, dat het Arak-arak-gebergte het Ajang-gebergt met het Idjèn-gebergte verbindt.

bron: Encyclopaedie van Nederlandsch-Indië (1896-1905), dl. 1, p. 183.