Johan Carel Bernelot Moens

Geb. 4 Jan. 1837 te Kralingen, na volbrachte studiën te Utrecht 20 Juli 1857 aangesteld tot apotheker 3e kl. bij den mil. geneesk. dienst in West-Indië, en 3 Mei 1858 in dienzelfden rang bij het leger in N.O. Indië overgeplaatst.

Den 11 Nov. d.a.v. kwam hij te Batavia, waar hij tot 1866, met een korte tusschenruimte, bij het chemisch laboratorium werkzaam was en groote verdiensten verwierf door chemische analysen van mineralen en aardsoorten.

In 1866 bevorderd tot apotheker 1e kl. en geplaatst aan het militair hospitaal te Weltevreden, maakte hij zich bekend door zijn onderzoek van het drinkwater te Batavia, waarvan de resultaten zijn gepubliceerd in Tijdschr. Ver. t. bev. geneesk. wetensch. in N.I. 1872.

Vooral verwierf hij zich naam door zijne studiën over den kinabast (Id. dl. XIV), zoodat hij dan ook in 1872 benoemd werd tot scheikundige bij de Gouvts. kina-cultuur, weldra tot adjunct-directeur dier cultuur en in 1875 tot directeur. In die betrekkingen bewees hij groote diensten aan de uitbreiding der kina-cultuur; zijn hoofdwerk: De kina-cultuur in Azië van 1854-1882, Batavia 1882, heeft groote en blijvende waarde.

In 1883 ging hij met verlof naar Ned., werd in 1885 op verzoek eervol ontslagen, en overleed 2 Oct. 1886 te Haarlem.

Zie over hem F.W. Neuhaus in Geneesk. Tijdschr. v. N.-I. XXVI bl. 240.

bron: Encyclopaedie van Nederlandsch-Indië (1896-1905), dl. 1, pp. 181-182.