Benkoelen (residentie)

Residentie op Sumatra, heeft een oppervlakte van 443.9 vierk. geogr. mijlen en had ulto. Dec. 1893 een bevolking van 160.650 zielen, o.w. 164 Europeanen, 557 Chineezen en 47 Arabieren en andere vreemde Oosterlingen.

Dit gewest strekt zich in de richting van n.w. naar z.o. langs de w.kust van genoemd eiland uit van 2°30' Z.B. tot aan den uitersten z.w. punt, de Vlakke hoek 5°58' Z.B., van daar langs de z.-kust tot aan Tandjong Tjina, zijnde de afstand tusschen beide kapen slechts een korte kuststrook.

De n.lijke grens van het gewest wordt gevormd door de Aëk Mendjoeto, terwijl de o.lijke grens grootendeels gevormd wordt door het Barisan gebergte, dat het van Palembang en de Lampongsche districten scheidt. Van dit gebergte stroomen tal van rivieren meestal in z.w.lijke richting naar de kust, die echter door haar korten loop en onbevaarbaarheid geen afzonderlijke vermelding verdienen, met uitzondering van de Ketaoen, die in de Redjang-landen van de residentie Palembang ontspringende door het Barisan-gebergte heenbreekt, het zuidelijk deel van de afdeeling Moko-Moko doorstroomt en zich bij het plaatsje van dien naam in zee stort. De Semangka-rivier, die zich in de baai van Semangka in de Lampongs in zee stort, heeft haar bovenloop in de residentie Bekoelen, waar zij in het hoogland van batoe Berah (zie dat woord) ontspringt, en dat in z.o.lijke richting doorloopt.

De kustlijn heeft weinig ontwikkeling en vormt slecht ondiepe inhammen, van welke alleen van het n. af de Poeloe-Baai, de Sambat-baai, de Kroë-baai, de Tenoembang-baai, de Bengkoenat-baai en de Blimbing-baai vermelding verdienen. Tot het gewest behoort het eiland Engano, de kleinere vlak onder de kust gelegen eilanden Poeloe Tikoes vóór de hoofdplaats Benkoelen, Poeloe Pisang en Betoewah vóór de kust van Kroë.

Het gewest is administratief verdeeld in 8 afdeelingen, die ieder onder een Controleur v/h B.B. staan, nl. Benkoelen, Ommelanden van Benkoelen, Laïs, Mokko-Mokko, Seloema, Manna en Pasoemah Oeloe Manna, Kauër (Kaoer) en Kroë, welke afdeelingen weder zijn verdeel in Marga's en zelfstandige pasar's. De formatie van het Europeesch gewestelijk en plaatselijk bestuurspersoneel van Benkoelen is opgenomen in Staatsbl. 1873 no. 27, 1880 no. 90 en 1883 no. 276a.

Benkoelen is bevolkt door verschillende stammen uit de naburige streken; de bevolking van Kroë en Kaoer bestaat grootendeels uit Lampongers, van Manna en Seloema uit Pasemahers, van de Ommelanden en Laïs uit Redjangers, die bij hunne verhuizing hunne voorvaderlijke instellingen hebben medegenomen, zoodat over de bevolking van dit gewest niet in het bijzonder behoeft te worden gehandeld. Zij staat overigens niet gunstig bekend. De Benkoeloenees wordt beschreven als lui en onverschillig, overmatig liefhebbers van genot, en bezield met een dikwijls tot wederspannigheid overslaanden geest van onafhankelijkheid. Zij is in de meeste afdeelingen verdeeld in: de familiebetrekkingen der vroegere regenten van Mokko-Mokko, Soengei itam en Soengei lemauw, mantris of pasirahs (margahoofden), welgestelde ingezetenen (orang kaja's), proatins of doesoen-hoofden, priesters en hadji's en vrije ingezetenen. In sommige afdeelingen is echter geen verschil van standen waar te nemen, te minder omdat de hoofden uit de bevoking zelve gekozen worden.

De minder werkzame aard der inlanders is oorzaak dat de landbouw niet op hoogen trap staat. De rijst wordt meest op ladangs geteeld, dan wel op moerasgronden. Bewaterde sawah's zijn er behalve in de afdeeling Mokko-Mokko weinig, welke afdeeling dan ook de eenige is, die rijst uitvoert; de overigen leveren slecht voldoende voor de behoeften der bevolking.

In 1798 zijn de eerste muskaatnoten en nagelen uit de Molukken naar Benkoelen overgebracht. Door de volhardende pogingen der Engelschen en de groote door hen daaraan besteede kosten gelukte de specerij-cultuur in den beginne vrij wel, maar is die later weder te niet gedaan. De laatste Gouvernements-specerijtuin te Permattan Balam is in 1855 opgeheven. De peper-cultuur is er van oudsher inheemsch.

Verder worden door de bevolking maïs, gambir, suikerriet, kokos- en pinangboomen, tabak, katoen, oebis en katjang geteeld.

De veeteelt is een voornaam middel van bestaan der inlanders; er worden jaarlijks een menigte buffels naar Palembang uitgevoerd. Runderen, paarden en varkens zijn er schaarsch, maar schapen en geiten treft men in overvloed aan, even als pluimgedierte. De kustbevolking houdt zich ook met de vischvangst onledig, waardoor zij gemakkelijk in hare behoeften voorziet, daar de visch nabij de kliprijke kusten en tusschen de koraalreven zeer overvloedig is.

De huizen der inlanders zijn als meestal elders op Sumatra eenigszins hoog uit den grond gebouwd, en staan ieder op zichzelf.

Geschiedenis

Omtrent de vroegere geschiedenis van Benkoelen is zoo goed als niets bekend. De plaats wordt reeds vroeg genoemd als een nederzetting, waar de O.I.C. handel dreef en een kantoor had. Toen de vorsten van Menangkebo, wier macht zich vermoedelijk, zij het op sommige gedeelten slechts in naam, bezuiden Atjeh over de geheele w.kust van Sumatra uitstrekte, ongeveer 1662 de hulp der Compagnie tegen Atjeh inriepen, dreef deze de zich z.waarts uitbreidende Atjehers terug, en verkreeg zij van Menangkebo het recht zich van Singkel tot Indrapoera op de w.kust te vestigen. Die vergunning werd waarschijnlijk al dadelijk aangemerkt als ook op de z. van Indrapoera gelegen streken betrekking te hebben, en van 1664-1670 had de Compagnie op dc voornaamste plaatsen langs die kust kantoren gevestigd, en kon zij beschouwd worden als meester over die kust, waarvan Padang het hoofdkantoor werd. Benkoelen, dat door zijn peper- productie en later ook door zijn specerijen, niet onbelangrijk was, en vooral een schoone toekomst beloofde, schijnt echter al spoedig de hebzucht der Engelschen opgewekt te hebben, en was dan ook gedurende de 18e eeuw meestentijds in hunne handen.

Eerst in April 1825 ging Benkoelen tengevolge van het Londonsche tractaat van 1824 weder in Nederlandsche handen over. De pepercultuur was verloopen, de specerij en cultuur kwijnend. Van 1818-1824 had de uitvoer van peper slechts gemiddeld jaarlijks 2131 pikols bedragen. Bij resolutie van 20 Dec. 1825 no. 5, bedoelende de ontwikkeling van de pepercultuur in dat gewest werd bepaald, dat de peper voor rekening van den lande zou worden ingekocht voor fl. 30 de bahar van 560 Amst, ponden plus fl. 3 per bahar als toelaag aan de hoofden, en bij Besluit van 18 Nov. 1833 no. 19 werd die prijs nader bepaald op fl. 7 per picol. Desniettegenstaande bedroeg die uitvoer van 1834- 1839 slechts gemiddeld 170 picols per jaar; welke opbrengst echter omstreeks 1850 tot circa 6000 picols klom, en van 1859-1863 gemiddeld 2469 picols zwarte en 432 picols witte peper bedroeg.

De bij laatstgenoemd Besluit tevens ingevoerde verplichte koffiecultuur leverde evenmin belangrijke resultaten op. In elf jaren (1858-1868) bedroeg de levering in totaal niet meer clan 535 pikols, waarvan uit Kroë alleen 514 pikols. De bepalingen van bedoeld besluit beheerschten den economischen toestand van Benkoelen tot Juli 1870.

Niettegenstaande onze geringe machtsontwikkeling in de binnenlanden van dat gewest en de onbestendigheid der bestuursbepalingen, bleef de rust er vrijwel ongestoord. De moord van den assistent-resident Knoerle in 1833 moet waarschijnlijk geweten worden aan ontevredenheid der bevolking in de omstreken der hoofdplaats over de handelingen van den assistent bij de cultures Bogle.

In 1870 werden de verplichte cultures ingetrokken en vervangen door een hoofdgeld, dat in 1873 voor het eerst werd toegepast. De aanslag bedroeg in dat jaar fl. 62.547 en bedraagt tegenwoordig cc. fl. 120.000. De invoering van die belasting had niet zonder verzet van de zijde der bevolking plaats. In April 1873 had een aanslag op het leven van den assistent-resident plaats, en diens opvolger H. Van Amstel en de controleur Carstens werden 2 Sept. van dat jaar vermoord. Desniettegenstaande is het gewest door de intrekking der niet produceerende en gehate dwangcultures en invoering van een geregeld belastingstelsel in veel gunstiger economischen toestand gekomen; in 1878 werd het wegens de toenemende belangrijkheid tot residentie verheven, en nemen welvaart en goede gezindheid der bevolking en veiligheid van personen en goederen in de latere jaren steeds toe.

Litteratuur

  • Nahuijs, Brieven over Bencoelen enz., Breda 1823;
  • Domis, Aan teek. betreffende Benkoelen in de Oosterling I bl. 424; Knoerle, Aant. gehouden op eene reize in de binnenlanden van Sumatra bijz. m. betr. t. Benkoelen enz. in de Oosterling I bl. 49, 276;
  • E.A. Francis, Benkoelen in 1833, T. v. Ned.-Indië IV. I bl. 417;
  • L. v.d. Vinne, Benkoelen zooals het is (1843), T.v. Ned.-Indië V. II bl. 550;
  • Korte aanstippingen nopens de afd. Benkoelen, T. v. Ned.- Indië I. II bl. 343;
  • A. Pruijs v.d. Hoeven, Een woord over Sumatra, Rott. 1864. I. Benkoelen;
  • E.B. Kielstra, Dwangkultuur en vrije arbeid in Bengkoelen, Ind. Gids 1888, 2e dl.

bron: Encyclopaedie van Nederlandsch-Indië (1896-1905), dl. 1, pp. 175-176.