Jean Chrétien Baud

Een der meest beteekenende Nederl.-Indische staatslieden, die è;n als hoofd van het bestuur in Indië, è;n als Minister van Koloniën grooten invloed op het lot van Ned.-Indië heeft uitgeoefend.

Geboren te 's Gravenhage den 23 Oct. 1789 trad hij reeds in 1804 als cadet-surnumerair bij de marine in dienst, werd in 1810 tot waarnemend secretaris bij den benoemden G.-G. Janssens aangesteld en vertrok met dezen naar Java, waar hij in 1811 bij den burgerlijken dienst overging, en getuige was van de hervormingen, door Raffles en de Commissarissen-Generaal op Java ingevoerd.

Als Algemeen Secretaris stond hij sedert 12 Jan. 1819 Van der Capellen ter zijde, doch werd reeds 23 Aug. 1821 als zoodanig op zijn verzoek ontslagen, daar hij naar Nederland wilde terugkeeren.

Daar maakte hij zich o.a. verdienstelijk bij de oprichting der Ned. Handelmaatschappij, waarin hij, als lid en secretaris der commissie, aan het ontwerpen der "artikelen van overeenkomst" groot aandeel had (1824).

Bij het oprichten van het Ministerie van Nationale Nijverheid en Koloniën werd Baud in datzelfde jaar daarbij benoemd tot Directeur voor de zaken der O.-I. bezittingen, terwijl hij in 1825, toen het beheer der Marine bij dat Ministerie werd gevoegd, als Directeur voor de zaken van koloniën ook de West-Indische koloniën onder zijne leiding kreeg. Daar werkte hij samen met den Minister Elout, maar verleende ook na het aftreden van dezen bewindsman onder diens opvolgers zijn hulp tot de invoering van het cultuurstelsel van Van den Bosch. Toen deze naar het moederland wilde terugkeeren, viel de keuze des Konings op Baud, en werd hij uitgenoodigd eene zending naar Ned.-Indië op zich te nemen, met het doel den Gouv.-Gen. de gelegenheid te geven spoedig naar Nederland terug te keeren. In afwachting van ’s Konings nadere beschikking, zou hij het bestuur uit handen van Van den Bosch ovememen en inmiddels zorgen voor de ongekrenkte handhaving van de inrichtingen, door dezen tot stand gebracht. Baud verklaarde zich daartoe bereid gedurende een zeer korten en vooraf bepaalden tijd, die op hoogstens 2 jaar gesteld werd.

Den 23 Jan. 1833 trad hij op als Vice-President der Hooge Regeering, in welke betrekking hij de werkzaamheden vervulde, overeenkomende met die van eenen Luitenant-Gouv.-Generaal: het bijwonen der vergaderingen van de Regeering, het bekleeden van het voorzitterschap, telkens wanneer de Gouv.-Gen. niet tegenwoordig was, en eindelijk het voorbereiden der behoorlijke afdoening van alle zoogenaamde dagelijksche zaken, voor dat deze aan de beslissing van den Gouv.-Gen. werden onderworpen.

Nadat Van den Bosch op 27 Juni 1833 de waardigheid van Commissaris-Generaal had aanvaard, trad Baud den 2en Juli als Gouverneur-Generaal ad interim op, en stond als zoodanig eerst onder Van den Bosch, en later na diens vertrek (2 Febr. 1834) alleen aan het hoofd der Indische Regeering. Met getrouwheid volbracht hij de hem opgedragen taak. Zijn naam is onafscheidelijk verbonden aan de consequente uitbreiding der grondbeginselen van het stelsel door Van den Bosch ontworpen, al liet hij geene gelegenheid voorbijgaan om de bezwaren, aan dat stelsel verbonden, zooveel mogelijk te temperen.

Niettegenstaande den aandrang uit Nederland, o.a. ook door Van den Bosch als Minister van Koloniën, aangewend om Baud over te halen zijn verblijf in Ned.-Indië te verlengen, wenschte deze niet langer aan het hoofd van het bestuur aldaar te staan, dan gedurende eenige maanden, die gevorderd mochten zijn om eenen opvolger de noodige inlichtingen te verschaffen.

Als die opvolger werd de Generaal De Eerens aangewezen, die echter aanvankelijk (sedert 5 Maart 1835) slechts als Luit.-Gouv.-Generaal onder Baud werkzaam was, totdat deze den 29 Febr. 1836 het bewind nederlegde en naar Nederland terugkeerde.

Daar werd hem, die reeds spoedig na zijn terugkomst tot Staatsraad in buitengewonen dienst benoemd was (3 Oct. 1836), den 13 Juni 1838 zitting in den Raad v. State verleend, nadat hij reeds bij zijne benoeming tot Staatsraad in buitengew. dienst in betrekking gesteld was tot den Minister, die verplicht was het advies van Baud in te winnen omtrent alle punten van koloniale wetgeving en algemeen bestuur, mitsgaders omtrent alle verordeningen, voorschriften en bepalingen, rakende de algemeene koloniale belangen, voor zooverre die in het moederland een onderwerp van behandeling zouden uitmaken.

Tengevolge van de verwerping van het wetsvoorstel om op de overzeesche bezittingen eene schuld te vestigen van ƒ 56.000.000, verzocht V.d. Bosch zijn eervol ontslag, dat hem bij Kon. Besluit van 25 Dec. 1839 verleend werd, terwijl Baud bij datzelfde besluit met ingang van 1 Januari 1840 tot Minister van Koloniën ad interim benoemd werd, gevolgd op 21 Juli 1840 door zijne benoeming tot Minister van Marine en van Koloniën, met ingang van 10 Aug. 1840, en na de afscheiding van Marine van dat Departement door zijne aanstelling tot Minister van Koloniën (23 Oct. 1841) met ingang van 1 Jan. 1841. In deze betrekkingen betoonde hij zich een bij uitstekendheid bekwaam staatsman, die echter volstrekt vasthield aan het beginsel, dat de eenhoofdige regeering de eenige is, die past voor koloniën en overzeesche bezittingen, welke de hoofdstoffen in zich bevatten van een zelfstandig bestaan, terwijl naar zijne meening het verlies dier koloniën een dreigend gevaar werd, wanneer in deze de zoogen. constitutionneele begrippen heerschten en aan die begrippen werd toegestaan zich in de koloniën te doen gelden.

Eenheid in beslissing en eenheid in uitvoering waren naar zijne overtuiging de hoofdvereischten van elk koloniaal regeeringsstelsel, waarop zoo min mogelijk inbreuk moest worden gemaakt.

Aan den eenen kant koesterde hij dus de innige overtuiging, dat zoolang men de bestaande Aziatische vormen van bestuur op Java wilde behouden en deze dienstbaar maken aan de instandhouding van een stelsel van gedwongen arbeid, de eenige hefboom kon zijn alleenheersching, dien men in geen opzicht verzwakken of verkorten moest. Doch daarentegen was hij evenzeer overtuigd van de waarheid, dat eene autocratische regeering, om duurzaam te zijn, de driften en hartstochten aan banden moet weten te leggen van de ambtenaren, door haar als werktuigen gebruikt, behoorende de autocraat de groote macht, welke hij verplicht was op zijne beurt aan zijne vele ondergeschikten af te staan, wijselijk, ter voorkoming van misbruik, te omringen met eigenaardige waarborgen, welke evenwel met het (autocratische) regeeringsstelsel in harmonie moesten zijn.

Vele en gewichtige maatregelen werden tijdens het Ministerie van Baud genomen. Wij noemen hier slechts de regeling van de betrekkingen tus- schen de Regeering en de Handelmaatschappij door de zoogenaamde Consignatie- en Kapitalisatie- contracten (Zie: Handelmaatschappij), de instelling der commissie tot onderzoek der remises, de regeling van de opleiding der ambtenaren voor Ned.-Indië (Zie: Opleiding van Ambtenaren), de regeling van het Indische muntwezen (Zie: Muntwezen), de verbetering in sommige Gouvts-cultures aangebracht, en de terugtrekking van het Ned. gezag uit een groot gedeelte van de Oostkust van Sumatra.

Tengevolge van de politieke gebeurtenissen van 1848 diende het Ministerie, waartoe Baud behoorde, den 15den Maart van dat jaar zijn ontslag in, dat den 25sten daaropvolgende verleend werd.

In 1850 werd Baud in het hoofdkiesdistrict Rotterdam tot lid der Tweede Kamer van de Staten-Generaal gekozen, en nam in September zitting.

Toen Duymaer v. Twist in 1850 werd aangezocht de betrekking van Gouv.-Generaal te bekleeden, bood Baud, die reeds herhaaldelijk tegen opdrijving en overdrijving van het cultuurstelsel had gewaarschuwd, maar de vrees koesterde gedurende zijn langdurig bestuur wellicht niet genoeg in die richting gedaan te hebben, geheel belangeloos aan om den Gouv.-Generaal naar Indië te vergezellen, ten einde dezen bij zijn taak behulpzaam te zijn. (Zie nadere bijzonderheden bij P.A. v.d. Lith, Levensbericht van Mr. A.J. Duymaer Van Twist, Levensber. Maatsch. v. Letterk. 1891 bl. 48 vlg.). Dit aanbod werd niet aangenomen. Baud bleef lid van de Tweede Kamer tot Sept. 1858, en nam als zoodanig o.a. in hooge mate deel aan de schriftelijke en mondelinge behandeling van het Reglement op het beleid der Regeering, waarop hij grooten invloed uitoefende.

Ook in andere opzichten, zooals door de oprichting van het Kon. Instituut voor de Taal-, Landen Volkenkunde te Delft (thans te ’s Gravenhage), en als voorzitter van de Commissie voor de emancipatie der slaven, toonde hij zijne groote belangstelling in koloniale aangelegenheden.

Toenemende ziekelijkheid dwong hem zijn ontslag als lid der Kamer te nemen; nog geen jaar daarna (27 Juni 1859) overleed de man, van wien Thorbecke getuigde: "Ik wil dien naam niet dan met eerbied noemen. Ik heb de eer gehad den Hr. Baud onder mijne meest volstrekte tegenstanders te tellen; doch dit heeft mij nooit belet in hem de uitstekende eigenschappen te waardeeren, die wij zeldzaam zullen wederzien. Hij behoorde tot de corypheën van de orde van zaken, waarvoor in 1848 eene andere in de plaats trad. Baud wist de waarde van kennis en beschaving voor het bestuur te schatten als iemand, wiens hooge ontwikkeling zijn eigen werk was."

Behalve enkele naamlooze artikelen in De Nederlander, verschenen van de hand van Baud eene brochure: Het ontslag van J.D. Kruseman als Dir.-gen. van financiën in N.-Indië, ’s Hage 1848, en in de Bijdr. t.t.l. en vlk. Dl. 1 twee opstellen: Palembang in 1811 en 1812, en de zeer belangrijke Proeve eener geschiedenis van den handel en het verbruik van opium in N.-I., en in hetzelfde Tijdschrift, N. volgr. Dl. III De Bandjermasinsche afschuwelijkheid.

Zie over Baud: Jean Chretien Baud geschetst door Mr. P. Mijer, Utr. 1878, en v. Rhede v.d. Kloot, De Gouvs.-Gen. ’s Grav. 1891.

bron: Encyclopaedie van Nederlandsch-Indië (1896-1905), dl. 1, pp. 148-150.