Batavia (hoofdplaats)

Hoofdplaats van het gewest van dien naam en zetel van het bestuur van Ned. O.I., ligt op 106° 48' 7.5" O.L. en 6° 7' 36.6" Z.B. Dit is de juiste plaatsbepaling van den tijdbal, geplaatst op den uitkijk nabij de monding van het naar de reede voerende havenkanaal. Batavia had ult. 1893 een bevolking van 110.669 zielen, o.w. 9.017 Europeanen, 26.569 Chineezen, 2.842 Arabieren en andere vreemde Oosterlingen, en 72.241 inlanders.

De plaats bestaat uit een oude stad, - die geheel op oud-nederlandsche wijze gebouwd is, en vroeger door wallen en bolwerken was omgeven, welke, als nutteloos voor de verdediging geworden, op last van Maarschalk Daendels grootendeels zijn geslecht, - en uit een nieuwe stad, zuidelijk van de eerstbedoelde, en geheel op nieuwerwetsche wijze aangelegd, met ruime wegen en groote pleinen, terwijl de huizen meest allen villa's - gewijze, op zich zelf staande in grootere of kleinere tuinen zijn gebouwd.

De oude stad met haar aan-eengebouwde huizen zonder tuinen, die aan de dienaren der O.I.C. konden voldoen, is thans als woonplaats door de meer gegoede Europeanen geheel verlaten, en de vroegere groote woonhuizen zijn nu handelskantoren, waar de kooplieden over dag hun zaken doen, om zich na afloop daarvan weder naar hunne in de nieuwe wijken gelegen villa's te begeven. Slechts mingegoede kantoorbedienden, klerken en enkele Europeesche ambachtslieden wonen nog in de kleinere huizen van de, overigens gedurende den nacht grootendeels door de Europeanen verlaten, oude stad.

De ongezondheid van het oude Batavia nam vooral toe na de uitbarsting van den Salak, in den nacht van 4 op 5 Januari 1699, die aan de door de stad stroomende Tjiliwong groote massa's slijk, modder en zand toevoerde, zoodat zij de faecale stoffen niet meer behoorlijk kon afvoeren. Overigens was die ongezondheid reeds een gevolg van de ligging op een uit moeras en kreupelbosch bestaande alluviale vlakte, en werd vooral in de 18e eeuw, met name na 1740, ook ten gevolge van overbevolking vooral in dc Chineesche kamp en gebrek aan ruimte binnen de wallen zóó groot, dat Batavia den bijnaam kreeg van het graf der Hollanders.

Het mocht een ware uitkomst genoemd worden, dat de Europeesche bevolking, waarvan alleen de meest gegoeden tot dien tijd op hun in de Ommelanden van Batavia gebouwde optrekjes wat frissche lucht en verpoozing van den arbeid konden zoeken, door de slechting der vestingwerken in de gelegenheid werd gesteld zich hoogerop in een meer gezonde streek te vestigen, zoodat zij alleen gedurende de kantooruren in de ongezonde stad behoefde te verblijven.

De oude stad levert aan gebouwen weinig merkwaardigs op, behalve het Stadhuis, vroeger de zetel van het bestuur van het College van Schepenen, thans bevattende de bureaux van den resident van Batavia. Dit gebouw, met het front aan een ruim plein gelegen, werd in 1707 aangevangen en in 1710 voltooid, en wordt door de Inlanders roemah bitjara genoemd. Sedert 1870 is aan de oostzijde van het stadhuisplein een ruim nieuwerwetsch gebouw verrezen voor den Raad van Justitie, die vroeger zijn zittingen ook in het stadhuis hield.

De groote stoot tot het aanleggen van de nieuwe stad werd door Daendels gegeven, door het laten bouwen op het terrein van Weltevreden van een oorspronkelijk voor den Gouverneur-Generaal bestemd paleis (nog onder dien naam bekend, hoewel het nooit als zoodanig is gebezigd en er later de Departementen van algemeen bestuur en de Algemeene Rekenkamer in gevestigd werden) en van nieuwe kazernes en een uitgestrekt officierskampement. Het paleis staat aan de westzijde van een ruim plein, waarvan de drie andere zijden door officierswoningen zijn ingenomen.

In het midden van dat plein verheft zich een monument, een vrij hooge zuil, den z.g. leeuw van Waterloo dragende, in 1828 door Du Bus de Gisignies opgericht ter herinnering aan den slag van Waterloo, en waaraan dat plein sedert den naam van Waterlooplein ontleent. Een veel gunstiger indruk maakt het aan de westzijde van het plein opgerichte monument, een fraaie gothischc pyramide van gegoten ijzer, ter eere van Generaal Michiels. Minder voldoet daarentegen het derde zich op het Waterlooplein bevindende monument, nl. het ter gelegenheid van de feestviering van het 250-jarig bestaan der stad op den 29en Mei 1869 opgerichte standbeeld van J.P. Coen, waarvan op dien datum de eerste steen werd gelegd, doch dat eerst den 4en September 1876 werd onthuld. Hoewel het door Stracké ontworpen beeld zeer fraai is, zinkt het met het kolossale paleis tot achtergrond als het ware weg.

Het paleis zelf heeft twee verdiepingen, en is aan weerszijden door een groot vleugelgebouw geflankeerd. De bouw werd in 1809 door Daendels begonnen, doch bij diens vertrek gestaakt, en eerst weder door Du Bus opgevat, doch nu met het doel om er de verschillende Departementen van Algemeen Bestuur te vereenigen. In het middendeel vindt men de vergaderzaal der Hooge Regeering, waarin zich de portretten van al de Gouverneurs-Generaal bevinden, die echter op enkele uitzonderingen na geen kunstwaarde hebben.

Benoorden het paleis vindt men het gebouw van het Hoog Gerechtshof, terwijl aan de zuidzijde in een net aangelegden tuin met muziektent zich de militaire sociëteit Concordia bevindt. Aan den noordwestelijken hoek van het Waterlooplein staat een R.C. kerk, die den 6en Nov. 1829 werd ingewijd.

Het militair hospitaal, waar ook niet-militairen worden verpleegd, en tal van andere militaire inrichtingen en gebouwen liggen zuidwaarts van het Waterlooplein tot aan de z.g. défensielijn Van den Bosch, die de grens vormt tusschen de stad Batavia en Meester Cornelis.

Op korten afstand bewesten het Waterlooplein ligt het Koningsplein, dat ruim een uur gaans in omtrek heeft. Door deze grootte maken de omliggende gebouwen, meest woonhuizen van gegoede Europeanen, waaronder aan de zuidzijde de Residentswoning, weinig indruk. Hierop maakt een uitzondering de aan de oostzijde gelegen Willemskerk, een in 1835 door de samenwerking van het Hervormde en van het Luthersche kerkgenootschap gestichte koepelkerk.

Aan de westzijde van het Koningsplein is het meest in het oog vallende gebouw dat van het Bataviaasch genootschap van Kunsten en Wetenschappen, in Grieksch-Dorischen stijl. Sedert een twintigtal jaren verheft zich op het pleintje vóór dat gebouw een koperen olifant, geschenk van den eersten koning van Siam, ter gedachtenis aan zijn bezoek aan Java in 1871.

In den zuidwestelijken hoek van het Koningsplein staat het Armenisch kerkje. Sedert een vijftiental jaren is het noordelijk gedeelte van het Koningsplein herschapen in een sierlijk aangelegd plantsoen, waarin de telefoonmaatschappij in een net gebouwtje haar centraalstation heeft.

Aan die zijde van het plein vertoont zich ook het front van het in 1879 voltooide nieuwe hotel voor den Gouverneur-Generaal, gebouwd in den tuin achter het oude, dat als bijgebouw bij het nieuwe is blijven staan, en zijn front naar het noorden aan den grooten weg van Rijswijk had. Geen van beide gebouwen bezit architectonische waarde.

De nieuwe stad is sedert 1873 door een tramlijn, - oorspronkelijk een paardentram, doch sedert 1883 vervangen door een stoomtram, - verbonden met de oude stad. Die tramlijn gaat van uit de oude stad, welke zij geheel van noord naar zuid doorloopt, langs Molenvliet, een grootendeels door minder gegoede Europeanen, Chineezen, Arabieren en inlanders bewoonde en in verval zijnde wijk, naar Rijswijk, waar zij bij de sociëteit de Harmonie, - waarvan de bouw, onder Daendels begonnen, in 1814 werd voltooid, - oostwaarts ombuigt, om, na het oude hotel van den Gouverneur-Generaal en de Sluisbrug, - waarbij het in 1882 geslechte fort Prins Frederik, de Gouvernements Post- en Telegraaf-inrichtingen en het onaanzienlijke Komedie-gebouw - te zijn gepasseerd, over het Waterlooplein naar Mr. Cornelis door te loopen.

Een tweede verbinding van de oude met de nieuwe stad is de spoorweg, deel uitmakende van de lijn Batavia-Buitenzorg, waarvan het station in de oude stad achter het gebouw van den Raad van Justitie is gelegen, terwijl het station voor de nieuwe stad op het Koningsplein staat.

Een derde hoofdverbinding van de oude met de nieuwe stad, de meest oostelijke, is de weg van Jakatra, een schoone rijweg, waarlangs in vroeger tijd vele lustverblijven van gegoede Compagnies-dienaren stonden, waarvan echter weinig meer over is. In de nabijheid van de oude stad loopt die weg langs uitgestrekte velden met Chineesche graven, en wijst men den aan een muur genagelden schedel van Pieter Erberfeld aan, den in 1722 met den dood gestraften landverrader. Die weg loopt recht aan op de wijk Goenoeng sarie (soms ten onrechte Goenoeng Saharie genoemd) de oostelijkste wijk van het nieuwe gedeelte van Batavia. De meest westelijk gelegen wijk is Tanah Abang, gewoonlijk bij verkorting Tanabang genoemd, waar het Europeesche kerkhof gelegen is, dat zeer net is, maar overigens geen opmerkenswaardige monumenten bezit.

Ofschoon de jurisdictie van de stad Batavia zich zuidwaarts niet verder uitstrekt dan de défensielijn Van den Bosch, en alles wat daar bezuiden gelegen is, reeds tot de afdeeling Meester Cornelis behoort, verdienen hier toch nog vermeld te worden als behoorende tot de noemenswaardige Bataviasche inrichtingen, in de eerste plaats het Gymnasium Willem III, in 1860 opgericht te Salemba aan den grooten postweg naar Buitenzorg nabij paal 7 en dat later in een Hoogere Burgerschool met een afdeeling tot opleiding van ambtenaren is hervormd, en in de tweede plaats de Planten- en dierentuin, meer westelijk langs de Tjiliwong gelegen. Deze tuin, waarin de Bataviasche tentoonstelling van 1893 werd gehouden, is in 1864 aangelegd onder toezicht van den Javaanschen schilder Radhen Saleh, die destijds een villa in de onmiddellijke nabijheid van dat terrein bewoonde, welke villa door inlandsche werklieden onder zijn toezicht naar door hem zelven ontworpen plannen en teekeningen is gebouwd in een fantastische koppeling van modern Europeeschen en Moorschen stijl, en een tijd lang om de vreemde en rijke inrichting veel bezoek van vreemdelingen trok, doch thans in erg verwaarloosden toestand verkeert.

De hoofdplaats Batavia is gelegen ter plaatse waar zich vroeger de inlandsche plaats Djakatra (verbastering van Djajakerta) bevond, die de zetel was van een min of meer van den Vorst van Bantam afhankelijken Pangéran, en waar de Nederlanders het eerst vasten voet kregen ingevolge een in November 1610 door den president der Bantamsche factory Jacques l'Hermite gesloten overeenkomst.

Zij heeft haar opkomst, haar historische belangrijkheid en haar lateren bloei te danken aan het feit, dat juist ongeveer terzelfdertijd de bewindhebberen der Vereenigde Oost-Indische Compagnie de noodzakelijkheid inzagen om een einde te maken aan het in de Indiën heerschende veelhoofdig wanbestuur. Dientengevolge gaf zij het opperbewind over haar zaken, vloten, kantoren en forten beoosten de Kaap de Goede Hoop in handen van een Gouverneur-Generaal, als hoedanig Pieter Both den 19en December 1610 te Bantam aankwam, en wel met de instructie dat hij, omdat Bantam, waar herhaaldelijk moeielijkheden voorkwamen, wel eens op den duur niet geschikt kon blijken voor hoofdvestiging, in nadere communicatie en alliancie zou treden met den Pangéran van Djakatra. Both bezocht, ingevolge die opdracht, Djakatra in het begin van Januari 1611, wist den afstand te verwerven van een stukje grond, waarop een huis gebouwd werd, terwijl er een posthouder werd aangesteld. Daarna begaf hij zich naar de Molukken, van waar hij in October 1613 te Bantam terugkwam, waar hij de loge verbrand vond en slechts onder bezwarende voorwaarden verlof tot het bouwen van een nieuwe loge kon krijgen.

J.Pz. Coen werd door hem aangesteld tot directeur der kantoren Bantam en Djakatra, op welke laatste plaats al meer en meer de aandacht gevestigd werd. In 1618 plaatste Coen, door de omstandigheden daartoe geleid, een bezetting van 24 man te Djakatra, en besloot den 22en October van dat jaar, dat daar ten behoeve van het Nederlandsch gezag een volkomen fort zou verrijzen. Weldra werd Coen daar door de Engelschen en de Djakatranen bestookt. Na een onbeslist zeegevecht op den 2en januari 1619 besloot Coen zich met de schepen naar de Molukken te begeven om daar versterking te halen, de verdedigers van het fort, waarover het bevel aan Pieter Van den Broeck was toe vertrouwd, vermanende de plaats zoo lang mogelijk te houden. Na veel wederwaardigheden, verraderlijke gevangenneming van Van den Broeck door de Djakatranen, en aanhoudende vrees om door de gezamenlijke Engelschen, Bantammers en Djakatranen aangevallen te worden, werden den 12en Maart 1619 door den kapitein Van Raay, die Van den Broeck in het commando was opgevolgd, ten einde den gezonken moed onder de bezetting te doen herleven, onder het hijschen der vlaggen, het luiden der klokken en het drinken van den eerewijn, aan de vier bastions de namen gegeven van Holland, West-Friesland, Zeeland en Gelderland, en aan het geheele fort dien van Batavia. De toestand bleef intusschen benard, totdat den 16en Mei Coen met 16 schepen ter reede van Djakatra verscheen, en hij zelf op den 30en van die maand met een duizendtal strijders de verdedigingswerken der Djakatranen veroverde, en hun geheele stad in de asch legde. De naam Batavia werd door de bewindhebbers gehandhaafd, en deze plaats aangewezen als de zetel van het gezag in Oost-Indië.

Reeds spoedig nadat aldus Batavia op de plaats van het oude Djakatra was verrezen, en wel in Augustus 1628, stond deze plaats bloot aan een aanval zoo van de land- als van de zeezijde, van een Javaansch leger onder Toemenggoeng Bahoe Reksa. Deze sneuvelde echter bij een uitval der Nederlanders, waarop de Javanen op de vlucht sloegen. Spoedig daarop verscheen echter een tweede door den Soesoehoenan ter vermeestering van Batavia uitgezonden leger, dat evenwel ook na een vergeefsch beleg verplicht was terug te trekken.

De plaats ontwikkelde zich daarna meer en meer, en werd om haar fraaiheid, naar de toenmalige opvatting, en om haar rijkdom welhaast "de Koningin van het Oosten" genoemd. Haar geschiedenis is verder die van een rijke handelsstad, middenpunt van den handel met Oost-Indië, hoofdkwartier, vanwaar alle gezag door den Gouv.-Gen. namens de bewindhebberen der O.I. Compagnie uitging.

Uit die geschiedenis valt nog slechts te vermelden de moord der Chineezen (10 Oct. 1740), waarbij meer dan 10.000 dier natie omkwamen, en welke moord een uitvloeisel was van den angst der Bataviasche burgers en de zwakke regeering van den toenmaligen landvoogd Valckenier. Men vreesde nl. dat in de groote toeneming van de Chineesche bevolking te Batavia een gevaar lag voor het Nederlandsch gezag aldaar, en trachtte door allerlei onberedeneerde maatregelen die toeneming en den invloed der Chineezen tegen te gaan, tengevolge waarvan velen dier natie uit Batavia weken, naar de wapenen grepen en de stad bedreigden. De vrees, dat de in de stad gebleven Chineezen, wier aantal nog zeer groot was, met de uitgewekenen samen zouden spannen en een algemeene moord op de Europeanen het gevolg daarvan zou zijn, sloeg burgerij en overheid om het hart; en zoo had de altijd te betreuren moord van zoo velen, meest weerloozen, plaats, zooal niet op aansporing, dan toch als een gevolg van de houding der overheid.

Tengevolge van de verwikkelingen in Europa, verscheen in 1811 een Engelsche vloot onder Lord Minto voor Batavia, en werden die plaats en de vestingwerken in den omtrek na dapperen tegenstand genomen, wat, nadat nog gepoogd was op Midden-Java stand te houden, tot de capitulatie leidde, waarbij de kolonie aan de Engelschen werd overgegeven. Eerst den 19den Augustus 1816 werd, ingevolge het te Londen met Engeland gesloten tractaat van 13 Augustus 1814, de kolonie weder van hen overgenomen en te Batavia de Nederlandsche vlag geheschen.

Van 29 Mei tot 2 Juni 1869 had te Batavia de feestviering plaats ter herdenking van het 250-jarig bestaan van die plaats, bij welke gelegenheid de eerste steen gelegd werd van het reeds vermelde monument voor J.P. Coen.

Litteratuur:

  • Batavia in deszelfs gelegenheid, opkomst enz. 4 dln. 1783 en 1799. (Vertaling in het Duitsch: Beschreibung und Geschichte der Hauptstadt enz. Leipzig 1785);
  • Beschrijving van Batavia met deszelfs kasteel enz. M. een Dagverhaal v.d. opstand der Sinezen. Amst. 1741;
  • J.A. v.d. Chijs, De Nederlanders te Jakatra, Amst. 1860;
  • J.G.F. Brumund, Een en ander over het oude Batavia, T.v.h. Bat. Gen. XXV, 362;
  • M. Buys, Batavia, Buitenzorg en de Preanger, Bat. 1892;
  • A.W.P. Weitzel, Batavia in 1858, Gor. 1860;
  • W.A. van Rees, Batavia, Leid. 1881.

bron: Encyclopaedie van Nederlandsch-Indië (1896-1905), dl. 1, pp. 140-142.