Philippus Baldaeus

Geb. te Delft Oct. 1632, kwam in 1655 te Batavia, vertrok in 1656 naar Punto Gale op Ceylon, waar hij tot 1657 als predikant dienst deed en vergezelde daarna gedurende 8 maanden Rykloff van Goens als veldprediker op diens tocht in Malabar.

In 1658 werd hij te Jaffnapatnam geplaatst en bleef daar tot 1665. In dat jaar kreeg hij vergunning naar het vaderland terug te keren; werd daar predikant tee Geervliet en stierf na Maart 1671.

Zijn hoofdwerk is de Naauwkeurige beschrijvinge van Malabar en Choromandel, derzelver aangrenzende rijken en het machtige eijland Ceylon, nevens een omstandige en grondig doorzochte ontdekking enz., van de afgoderije d. O. Ind. heydenen. Hierbij een Malabaarsche spraakkunst. Amst. 1672.

Voorts vertaalde hij psalmen, het Evangelie van Mattheus en prdikatiën in het Malabaarsch.

Zie P.J. Veth, Gids Mei 1867 en P.J. Veth, Ontdekkers en onderzoekers, Leiden 1885. V. Troostenburg de Bruyn, Biogr. woordenboek van O.I. predikanten, Nijm. 1893, passim.

bron: Encyclopaedie van Nederlandsch-Indië (1896-1905), dl. 1, p. 82.