Ambon (eiland)

Eiland in de Banda-zee, waarop de hoofdvestiging der Nederlanders is gelegen en dat door vreemdelingen wel, evenals de geheele residentie, Amboina wordt genoemd; sedert 1882 tevens controle-afdeeling van dien naam.

Het strekt zich uit tusschen ongeveer 3°28' en 3°48' Z.B. en 127°58' en 128°26' O.L. en heeft een oppervlakte van ruim 14 vierk. geogr. mijlen. Het bestaat uit twee schiereilanden, door de Landengte of Pas van Bagoeala met elkaar verbonden; het Noordelijke heet Hifoe (eigenlijk de naam der noordkust), het Zuidelijke Leitimor en beiden worden gescheiden door een breede baai, die Oostwaarts in diepte afneemt, doch vooral ter hoogte der hoofdplaats aan schepen een veilige ligplaats aanbiedt. Behalve een iets grooteren inham, Telok Wai, aan Hitoe’s Oostkust, is de kust vrij regelmatig en daalt op meerdere plaatsen steil in zee af, zoodat de nadering met kleinere vaartuigen zeer bemoeilijkt wordt en o.a. bij de Oostkaap of T. Alang tijdens onstuimig weder geheel onmogelijk is.

Het geheele eiland is bergachtig; de hoogste toppen zijn: de Wawani (1100 m.), die door zijn solfataren nog van werkend vulkanisme getuigt en de Salhoetoe (1225 m.) op Hitoe, benevens de Hori (625 m.) en de Nona (600 m.) op Leitimor.

Het grondgebergte is graniet, gedeeltelijk door serpentyn gedekt, gedeeltelijk door tertiair Coxylomeraat met kalksteen als hoofdbestanddeel (Martin).

Langs het strand zijn nissteenklippen. De baai van Ambon wordt omringd door kalksteenformatie, waarin druipsteengrotten voorkomen (grot Batoe Lobang, bij Ambon en Batoe Gantong ten Zuiden van Ambon.)

Door gebrek aan vlak terrein kunnen de talrijke beken zich nergens tot bevaarbare rivieren vormen en voeren deze het uit het binnenland afstroomende water meest in een Zuid- of Noordwaartsche richting naar zee.

Smalle wegen worden alom aangetroffen, maar zijn door den steenachtigen, zeer oneffen bodem alleen voor voetgangers begaanbaar.

De bevolking wordt onderscheiden in burgers, orang borger of o. bébas, en negorijlieden, orang negri, beiden zoowel Christenen als Mohammedanen; zij is ruim 30.000 zielen sterk en verdeeld over 47 negorijen en 11 kampongs, van welke Ema, Toeléhoe, Wai, Liliboi en Alang de grootste zijn. Met uitzondering van de noordkust van Hitoe en enkele andere plaatsen, waar de landstaal in verschillende dialecten tot heden is bewaard gebleven, wordt, meer bijzonder in de Christen-negorijen en door de burgers, overal Maleisch gesproken, dat echter met vele vreemde woorden is vermengd.

De landbouw is onbeduidend en door de gesteldheid van den grond is deze ook niet voor alle cultures geschikt. Als cultuurgewassen zijn het belangrijkst de teelt van kruidnagelen en van notemuskaat, benevens wat koffie en kakao; ook klapperboomen worden opzettelijk aangekweekt. Sagoe is er niet voldoende voor de behoefte en wordt van Ceram gehaald. Voor dagelijksch gebruik teelt de bevolking allerlei groenten en op Leitimor vooral vindt men een groot aantal vruchtboomen, waarvan de oogst door de vrouwen op de hoofdplaats ter markt wordt gebracht. In de baai planten Binongkoreezen hier en daar langs het strand padi op droge velden en te Wai en Toeléhoe wordt wat tabak verbouwd, ofschoon anders aan de Boeroesche tabak de voorkeur wordt gegeven.

De negorijen zijn over het geheel genomen vrij regelmatig aangelegd en zoowel straten als huizen goed onderhouden; de meesten hebben een kerk en schoolgebouw en soms een bailéo, vroeger voor openbare vergaderingen bestemd, maar nu meer in gebruik tot opberging van materialen.

Het huisraad bestaat uit tafels, stoelen, ledikanten, rustbanken, enz. en naar gelang van meerdere of mindere gegoedheid zijn vele gezinnen in het bezit van voorwerpen van waarde, meestal door voorvaderen in den strijd buitgemaakt en thans als erfelijke talismans op hoogen prijs gesteld.

De kleeding is zeer eenvoudig, kabaai met lange broek en het hoofd gedekt door hoed of pet; deze verschilt echter voor regenten, burgers en negorijlieden, ook wat de kleederdracht der vrouwen aangaat. Uit vrees van door landgenooten of familieleden beschimpt te worden, wijkt men hiervan zelden af.

Sagoeweer wordt in groote hoeveelheid gedronken en bij feestelijke gelegenheden is het onmatig gebruik bijna regel; zoowel Christenen als Mohammedanen geven zich hieraan over, al scheiden zij zich bij overigens goede verstandhouding ook scherp van elkaar af.

Het negorijvolk is verdeeld in dati's of afdeelingen, die gemeenschappelijk grondbezit hebben en dus ook gezamenlijk de daaraan verbonden lasten moeten dragen; elke negorij heeft er een bepaald aantal en aan het hoofd staat een kapala dati, terwijl de andere, tot de dati behoorende personen anak dati of toeloeng dati heeten. De gronden worden door de rechthebbenden geëxploiteerd onder toezicht van de kapala dati en deze genieten alleen de voordeelen van de opbrengst; de burgers zijn hiervan geheel uitgesloten. Bovendien heeft elke negorij nog eigen gronden, waarover een kapala kéwan als boschwachter of politieagent het toezicht heeft, tegen tegemoetkoming van een klein deel van het product.

Velen vinden in de vischvangst een voordeelig beroep, wel het meest in de baai, waar de zee gewoonlijk kalm is.

bron: Encyclopaedie van Nederlandsch-Indië (1896-1905), dl. 1, pp. 25-26.