W.A. Alting

Gouverneur-Generaal van Ned.-Indië. Geboren te Groningen 11 Nov. 1724, overleden op Kampong Melajoe (Batavia) 7 Juni 1800. Na als onderkoopman bij de Compagnie in dienst te zijn getreden (1750), klom hij spoedig tot hoogere rangen op en werd 1772 Raad van Indië, en in 1777 tot Directeur-generaal benoemd, de eerste betrekking na die van Gouv.-Generaal. Gedurende de ziekte van zijnen voorganger, de Klerk, werd hij tot waarnemend landvoogd benoemd, en in 1780 door den Raad van Indië tot provisioneel Gouv.-Generaal gekozen.

Onder zijn bestuur, dat getuige was van diep verval der O.-I. Compagnie en van hare macht in Indië, voor een deel ook ten gevolge van den oorlog met Engeland, werd eene Commissie uit Nederland naar Indië gezonden (zie: Commissarissen-Generaal), ten einde in Indië de noodige bezuinigingen en hervormingen in te voeren. Alting maakte, benoemd tot Commissaris-Generaal over geheel N.-I. en Kaap de Goede Hoop (1791), deel uit dier Commissie, welke spoedig onder zijnen invloed en dien van zijnen schoonzoon Siberg geraakte.

Na de omwenteling in het moederland en het optreden van het Comité tot de zaken van den O.-I. handel en bezittingen, in plaats van het bestuur de O.-I. Compagnie (1796), vroeg hij ontslag uit zijne beide betrekkingen en trad 17 Febr. 1797 als Gouv.-Gen. en Comm.-Gen. af.

Na dien tijd leefde hij nog enkele jaren als ambteloos burger te Batavia. (zie: v. Rhede v.d. Kloot. De Gouv.-Gen. en Comm.-Gen. 's-Grav. 1891. bl. 110-114).

bron: Encyclopaedie van Nederlandsch-Indië (1896-1905), dl. 1, p. 21.