'Ali

Bekende Arabische naam, o.a. gedragen door 'Ali ibn Aboek Tâleb, den neef en schoonzoon van Mohammed, wiens verkiezing tot khalief aanleiding gaf tot de scheuring der Moslemen in Sonnieten en Sjiïten. (zie: Sjiïten).

Vgl. over hem o.a. Dozy. Het Islamisme. Haarlem 1863. Weil. Gesch. der Chalifen. Mannh. 1846. I. Ook in den Indischen Archipel is deze khalief als een der vrienden van Mohammed zeer bekend en wordt zijn nagedachtenis vereerd; in sommige streken van Java wordt in de 6de maand van het Moh. jaar, ter gedachtenis aan zijn dood een offermaal van rijst gehouden.

Van de personen, die dezen naam droegen en in de geschiedenis van Ned.-Indië bekend zijn, vermelden wij:

'Ali Moghaja Sjah, volgens eene Maleische kroniek de eerste Sultan van Atjeh (1507) (zie: Atjeh);

Saïd 'Ali, Arabische gelukzoeker, die in 1791 den trook van Siak op den regeerende Vorst vermeesterde (zie: Siak); en

'Ali, die vereeniging met Radja Hadji tegen hunnen bloedverwant, den Boegineeschen Onderkoning van Riouw, ongeveer 1780 geruimen tijd met geluk streed, en de Compagnie in groot gevaar bracht (zie: Riouw).

bron: Encyclopaedie van Nederlandsch-Indië (1896-1905), dl. 1, p. 19.